| 23332 |
vastendag |
vastendag:
vastendaag (L331p Swalmen)
|
vastendag [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 23331 |
vastentijd |
vasten:
vastə (L331p Swalmen)
|
vasten [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 21284 |
vechten |
vechten:
faextə (L331p Swalmen),
vechte (L331p Swalmen),
zich houwen:
hâowe (L331p Swalmen)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND] || ruzie maken en daarbij gebruik maken van handen, armen en benen [kempen, kebberen, vechten] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 34266 |
vee |
beesten:
bēstǝ (L331p Swalmen)
|
Alle huisdieren samen: paarden, runderen en kleinvee. Vergelijk het lemma ''veestapel'' (13.12) in deze aflevering. [A 11, 4; JG 1a; RND 4, 31; RND 7, 31; RND 8, 31; RND 10, 31; Wi 52; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 34269 |
vee fokken |
fokken:
fǫkǝ (L331p Swalmen)
|
Het houden van vee met als doel de vermenigvuldiging van de dieren. Objecten als "vee" en "koeien" zijn in dit lemma niet gedocumenteerd. [N Q, 10b; monogr.]
I-11
|
| 34268 |
vee houden |
houden:
hāi̯ǝ (L331p Swalmen)
|
Het houden van vee in het algemeen. De opbjecten "vee", "beesten", "koeien" e.a. worden in dit lemma niet gedocumenteerd. [N Q, 10a]
I-11
|
| 20503 |
veel drinken |
zuipen:
zoepe (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
zoepə (L331p Swalmen),
zūpə (L331p Swalmen)
|
drinken; Hoe noemt U: Veel en met graagte drinken (loeriën, leerzen) [N 80 (1980)] || zuipen [DC 35 (1963)] || zuipen, onmatig drinken [DC 38 (1964)]
III-2-3
|
| 21877 |
veel moeten betalen |
brokken:
brokke (L331p Swalmen),
opbrengen:
opbringe (L331p Swalmen)
|
veel kosten hebben, veel moeten betalen [brokken] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 18373 |
veel te grote schoen |
flots:
[sic]
floetsje (L331p Swalmen)
|
schoen, veel te grote ~ [affeseersjoon] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18547 |
veel te wijde broek |
flodderboks:
flodderboks (L331p Swalmen)
|
broek, veel te wijde ~ [flodderboks] [N 23 (1964)]
III-1-3
|