| 21309 |
boerin |
boerin:
buren (L331p Swalmen),
deez boerin (L331p Swalmen),
die boerin (L331p Swalmen),
vrouw:
vrouw (L331p Swalmen)
|
[L 1, a-m; S 6; Wi 18; monogr.]boerin [deze ~ ] [SGV (1914)] || boerin [die ~] [SGV (1914)] || de vrouw van een boer [meesterse, bazin(ne), vrouw, juffrouw, mevrouw] [N 87 (1981)]
I-6, III-3-1
|
| 18836 |
boertig |
boers:
bōōrs (L331p Swalmen)
|
met zeer platte humor [drollig, boertig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20302 |
boertje |
boer:
boer (L331p Swalmen)
|
boertje doen; als een baby gedronken heeft moet het een boertje doen [DC 47 (1972)]
III-2-2
|
| 21605 |
boete |
boete:
boete (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
een geldstraf [boete, kore, amende] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 18209 |
boezeroen |
boezeroen:
boezeroen (L331p Swalmen),
kiel:
keel (L331p Swalmen)
|
boezeroen [SGV (1914)] || boezeroen, blauwlinnen of katoenen (boeren)overhemd [boezeloen, bazeoren, bazzeroel] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18064 |
bof |
bof:
bóf (L331p Swalmen),
bôf (L331p Swalmen)
|
Bof: de ziekte waarbij men een opgezet gezicht krijgt door ontsteking van de oorspeekselklier en zwelling van de lymfevaten (dikoor, smartoor, bof). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 23165 |
bok staan bij haasje-over |
bok staan:
boeksjtaon (L331p Swalmen)
|
Bokje staan bij het haasje-over springen.
III-3-2
|
| 34655 |
bok van het rijtuig |
schei:
šęi̯ (L331p Swalmen),
vuilik:
vūlǝk (L331p Swalmen)
|
Zitplaats voor de koetsier of de voerman. Alleen bij het rijtuig vormt de bok een vast onderdeel. Bij de kar en de wagen wordt soms een plank tussen de berries gelegd die als geïmproviseerde zitplaats dient. Uit vragenlijst N 101, waar gevraagd werd naar de zitplaats van de voerman van een rijtuig, kwamen vrijwel uitsluitend opgaven van het type bok. [N 17, 38a-b + 40 + add; N G, 58d; N 101, 18a; monogr.]
I-13
|
| 20517 |
bokking |
bokkem:
bökkum (L331p Swalmen),
bökkəm (L331p Swalmen)
|
haring; Hoe noemt U: Een gerookte haring (massisse, bukkem, boesterin, boksharing) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24705 |
bolderik |
krukkenbloem:
krukkebloom (L331p Swalmen)
|
Bolderik (agrostemma githago 20 tot 90 cm hoog. De stengels zijn dicht behaard; de bladeren zijn lancetvormig, spits en ongesteeld, tevens dicht behaard; de bloemen zijn lang gesteeld en afzonderlijk groeiend, de kleur is roodviolet met donkere lengtest [N 92 (1982)]
III-4-3
|