| 20750 |
koekje |
camps-mop:
kampsmoͅp (L246a Swolgen),
platsje:
plɛtskə (L246a Swolgen)
|
grpte ronde koek met in het midden een gat (Camps had op alle kermissen een kraam) || koekje
III-2-3
|
| 24188 |
koekoek |
koekoek:
koekoek (L246a Swolgen)
|
koekoek
III-4-1
|
| 34646 |
koets |
koets:
kuts (L246a Swolgen)
|
Vierwielig rijtuig met een vierkante gesloten kast voor een klein aantal personen. De kast hangt in riemen of rust op veren. De koetsier heeft een aparte bok. De koets is een van de meest bekende rijtuigen, vandaar dat "koets" ook vaak als algemene benaming voor het vierwielig rijtuig gebruikt wordt. [N 17, 5; N 101, 1-13; N G, 51; L 28, 24; L 36, 70; L A, 288; L 1a-m; S 18; Wi 18; Gi 3,IB; monogr]
I-13
|
| 21140 |
koets (alg.) |
koets:
koets (L246a Swolgen)
|
koets [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33340 |
koewachter, veeknecht |
koeherd:
kuhart (L246a Swolgen),
koejong:
kujǫŋ (L246a Swolgen),
zweitser:
zwęi̯tsǝr (L246a Swolgen)
|
De zweitser is de boerenknecht die, vooral op grote boerderijen met minstens 10 koeien (L 246), speciaal belast is met het melken en de verzorging van het rundvee. Wanneer het bedrijf voor zo''n speciale knecht te klein is wordt de zorg voor de koeien toevertrouwd aan een koewachter (koeherd, koejong; in het zuiden koeter, vatsji), meestal een aankomende knecht, pas van school, die de beesten meeneemt naar de wegbermen om ze daar te laten grazen. Van een koeter en vatsji in West-Haspengouw wordt ook gezegd dat hij (of zij) ook karweitjes in huis verricht, bijvoorbeeld in de keuken; vergelijk Kruijsen (1990) en het lemma "(hard) werken op de boerderij" (1.3.10). Bij koeherd in Q 6 wordt aangetekend: "hij kreeg alleen de kost en de klompen als loon". Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht algemeen" (1.3.12). [N M, 1b; JG 1b, 2c; A 48, 18b; L 26, 32b; monogr.]
I-6
|
| 20864 |
koffie |
koffie:
koffie (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen),
kŏffie (L246a Swolgen)
|
koffie [SGV (1914)] || koffie, een kop ~ [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20840 |
koffie zetten |
koffie opschudden:
koͅfi opsxødə (L246a Swolgen),
koͅfi oͅpsxødə (L246a Swolgen)
|
koffie zetten
III-2-3
|
| 20588 |
koffiedik |
dras:
dras (L246a Swolgen),
drats:
drats (L246a Swolgen),
koffiedras:
koffiedras (L246a Swolgen)
|
koffiedik [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kókdál\\k"= kookt dadelijk/"kòktàl"= kookt al
kók/kòkt (L246a Swolgen)
|
koken [RND]
III-2-3
|