| 26077 |
kruias, kruirad |
kruias:
krø̜jas (L246a Swolgen)
|
Het wiel of de as onderaan de staart aan de buitenzijde van de molen, waarmee de molen of de molenkap met behulp van kettingen of touwen naar de wind gedraaid wordt. Zie ook afb. 21 en 23. Een aantal woordtypen is een pars pro toto. [N O, 30a; A 42A, 58; monogr.]
II-3
|
| 24484 |
kruid (alg.) |
kruid:
krüd (L246a Swolgen)
|
kruid, plant
III-4-3
|
| 20805 |
kruidnagel |
kruidnagel:
kruutnagel (L246a Swolgen)
|
kruidnagel [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 22580 |
kruidwis |
kruidwis:
kruutwis (L246a Swolgen),
verzameling kruiden, gewijd op 15 augustus en bestaand uit: boerenwormkruid, appel of peer, haver, koolblad en alsem
krüdwis (L246a Swolgen)
|
Hoe heeten de kruiden, die gezegend worden? [SGV (1914)] || kruidwis
III-3-3, III-4-3
|
| 26082 |
kruien |
kruien:
kryi̯ǝ (L246a Swolgen),
krøjǝ (L246a Swolgen),
krø̜jǝ (L246a Swolgen)
|
De molen of molenkap draaien met als doel de wiekenas in de windrichting te plaatsen. [N O, 30i; N O, 30k; A 42A, 56; monogr.] || Een last met de kruiwagen vervoeren. [N 18, 100 add; Wi 33; S 19; L 29, 4; L 1a-m; RND 97; A 42, 13 add + 16 add; monogr.]
I-13, II-3
|
| 19581 |
kruik |
kruik:
kroek (L246a Swolgen)
|
kruik [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 26079 |
kruiketting, kruitouw |
kruiketting:
krøjkęteŋ (L246a Swolgen
[(meervoud: krøjkęteŋs)]
),
krø̜jkęteŋ (L246a Swolgen
[(meervoud: krø̜jkęteŋs)]
)
|
De op de kruias bevestigde ketting waarmee de molen of de molenkap wordt verplaatst. In l 289 en l 377 gebruikte men daartoe geen ketting maar een touw, in l 316 een kabel. [N O, 30b; N O, 30c; N O, 30d; A 42A, 57; monogr.]
II-3
|
| 20712 |
kruim |
kruim:
kroem (L246a Swolgen)
|
kruim [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20806 |
kruimel |
kruimel:
kryməl (L246a Swolgen)
|
kruimel
III-2-3
|
| 17573 |
kruin |
kruin:
kruun (L246a Swolgen)
|
kruin [SGV (1914)]
III-1-1
|