| 28772 |
linnen, linnengoed |
lijnen:
linǝ (L246a Swolgen)
|
Weefsel uit vlas- of hennepgaren vervaardigd. Lijnwaad. [N 62, 77; N 59, 201; N 62, 75f; L 1a-m; L 30, 30a; L 30, 30b; L B1, 95; MW; Wi 18 en 55; S 22; monogr.]
II-7
|
| 17617 |
lip |
lip:
lip (L246a Swolgen),
lìp (L246a Swolgen),
løp (L246a Swolgen)
|
lip [DC 01 (1931)], [RND], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 18967 |
list |
fint:
fint (L246a Swolgen)
|
fint (list, barstje) [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18051 |
litteken |
litteken:
litteiken (L246a Swolgen)
|
litteken [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 34133 |
loeien van de koe in het algemeen |
beuken:
bø̜̄kǝ (L246a Swolgen)
|
[N 3A, 5a; JG 1a, 1b; Gwn V, 8; Wi 57; monogr.]
I-11
|
| 23311 |
lof |
lof:
ət lû:f (L246a Swolgen)
|
het lof [RND]
III-3-3
|
| 17688 |
long |
long:
lŏŏnge (L246a Swolgen),
Bij een varken: loees
lŏŏng (L246a Swolgen)
|
long [SGV (1914)] || longen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 31224 |
lood |
lood:
lūǝt (L246a Swolgen)
|
De algemene benaming voor het zachte, blauwachtig witte metaal dat door de loodgieter wordt gebruikt. In plaatvorm vormt het de basis voor onder meer loketten, vorstlood en voetlood en als buis werd het vroeger veel toegepast bij de aanleg van waterleidingen. Zie ook de lemmata "loketten", "loketlood" en "voetlood" in Wld ii.9, pag. 178. [N 64, 102a-e; monogr.]
II-11
|
| 24846 |
loof |
blader:
blêr (L246a Swolgen),
loof:
loeef (L246a Swolgen)
|
bladeren [SGV (1914)] || loof [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladen:
afblāi̯ǝ (L246a Swolgen)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|