| 17917 |
omhelzen |
om de nek vallen:
ŭm den nĕk vāllen (L246a Swolgen)
|
omhelzen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 33651 |
omwalde akker |
kamp:
kāmp (L246a Swolgen)
|
Een akker welke omsloten is door een akkerwal, een brede gracht of door bossen. [N 11, 2e; N 11, 2f; N 27, 3b; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 25149 |
onbewolkt |
klaar als de dag:
kloar as den daag (L246a Swolgen)
|
als [klaar ~ de dag] [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 24637 |
ondereinde van de stam |
boks:
dat na het afzagen in de grond blijft zitten
bóks (L246a Swolgen),
stob:
stoeb (L246a Swolgen),
vot:
vot (L246a Swolgen)
|
aardeinde ve boom || onderstuk ve boom || stobbe, onderstuk ve boom
III-4-3
|
| 32731 |
ondergronden, woelen |
ondergronden:
ondǝrgrondǝ (L246a Swolgen)
|
Met een aparte ploeg of met een aan de gewone ploeg bevestigde schaar, klauw of haak de zool, harde laag of bank onder (in) de voor breken of openrakelen. [N 11, 46; N27, 13b]
I-1
|
| 32640 |
ondergronder, woeler |
ondergronder:
ondǝrgrondǝr (L246a Swolgen)
|
De ondergronder of woeler was een aparte ploeg zonder kouter en riester, maar met een lansvormige schaar of twee in tegenovergestelde richting geplaatste messen vóór op het ploeghoofd. Vaak werd de oude aanaardploeg tot ondergronder omgebouwd. Met deze ploeg, die vóór de gewone ploeg uitging of erop volgde, werd de ondergrond, de bodem van de voor opengebroken. Men kon ook met de gewone ploeg de ondergrond losrakelen, door op de plaats van de voorschaar of het kouter, dan wel aan of onder de ploeghiel een woelschaar, een woelhaak of woelmes aan te brengen. Aldus werd tegelijkertijd de bovengrond geploegd en de ploegzool opengebroken. [N 11, 33j; N 11A, 76a + 76b + 77; N 27, 14]
I-1
|
| 21351 |
onderhands |
onderhands:
ŏŏnderhands (L246a Swolgen)
|
onderhandsch [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18257 |
onderhemd |
hemd:
hĕmd (L246a Swolgen),
i schŏn hèmd (L246a Swolgen)
|
hemd [SGV (1914)] || schoon [o] [een ~ hemd] [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 19395 |
onderkussen, peluw |
hoofdpulf:
høͅtpølf (L246a Swolgen),
pulf:
pølf (L246a Swolgen)
|
langwerpig rond hoofdkussen || peluw [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 27891 |
ondersteunen |
stijperen:
stipǝrǝ (L246a Swolgen)
|
Een muur onderschragen met een stut of schoor. Zie voor de fonetisch niet gedocumenteerde vormen het lemma 'Muur'. [N 31, 48a; monogr.]
II-9
|