| 32222 |
draaiboom voor de schulpboor |
boorkluppel:
bǭ.rklø̜pǝl (L270p Tegelen),
wringkluppel:
vreŋklø̜pǝl (L270p Tegelen)
|
Een extra dwarshout ter verlenging van de kruk van de schulpboor. Daardoor kan het werktuig door twee personen tegelijkertijd gehanteerd worden. Zie ook afb. 193. [N G, 32d]
II-12
|
| 17856 |
draaien |
afdraaien:
āf˱drɛjǝ (L270p Tegelen),
draaien:
dreie (L270p Tegelen),
drēījə (L270p Tegelen),
drējĕn (L270p Tegelen),
drɛjǝ (L270p Tegelen),
naven draaien:
nāvǝ drɛjǝ (L270p Tegelen)
|
draaien [DC 02 (1932)] || Met behulp van draaibeitels en -gutsen een stuk hout, en meer in het bijzonder het ruwe naafblok, op de draaibank zijn definitieve vorm geven. [N G, 7b; N 53, 228c]
II-12, III-1-2
|
| 29474 |
draaier |
draaier:
drɛjǝr (L270p Tegelen)
|
De arbeider die werkstukken maakt met behulp van de draaischijf. [N 49, 23b]
II-8
|
| 34082 |
draaiers |
draaiers:
drɛi̯ǝrs (L270p Tegelen)
|
De kleine heupen achter de grote heupen, meestal in de vorm van uitstekende botten of knobbels. [N 3A, 110b]
I-11
|
| 32201 |
draaiguts |
draaiguts:
drɛjgȳts (L270p Tegelen),
drɛjgøts (L270p Tegelen),
guts:
gøts (L270p Tegelen)
|
De holronde beitel die tijdens het draaien wordt gebruikt voor het aanbrengen van profielen op de naaf. De draaiguts rust daarbij op de leunspaan van de draaibank. Zie ook afb. 183. [N G, 26b; N 53, 39e]
II-12
|
| 33727 |
draaihek |
draaipoort:
drɛjpǭrt (L270p Tegelen),
ingang:
engaŋk (L270p Tegelen),
poort:
pǭrt (L270p Tegelen)
|
Een hek dat op scharnieren of haken draait aan de ingang van een wei, gemaakt van prikkeldraad of houten latten. [N 14, 68a; N M, 5; A 25, 5d; L B 19, 6; monogr.]
I-8
|
| 24950 |
draaikolk |
draaikolk:
dreijkòlk (L270p Tegelen)
|
kolk, plaats in water waar een snel ronddraaiende stroom is die voorwerpen kan meeslepen en naar beneden trekken [willing, wieling, waal, wolf, draaipol] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33445 |
draaipin van een zware deur of poort |
draaiduim:
drɛi̯dum (L270p Tegelen),
pivot (fr.):
pivō (L270p Tegelen),
taatspot:
tātspǫt (L270p Tegelen)
|
Aan de onderkant (soms ook bovenkant) draait een zware deur of poort op een ijzeren pin die een deel van het gewicht opvangt en voorkomt dat de deur scheef komt te hangen. De benamingen voor deze zware draaipin hangen soms samen met die voor de scharnierpinnen aan de zijkant van de deuren; zie daarvoor de aflevering over de huizenbouw, deel II, afl. 9. Voor het type turen, vergelijk Rhein.Wb s.v. Turen. Achter in het lemma zijn enkele benamingen apart opgenomen voor de holte (vaak een steen) waar de pin in draait. [N 4A, 50; monogr.]
I-6
|
| 27158 |
draaischijf |
draaischijf:
drɛjšī̄f (L270p Tegelen),
schijf:
šī̄ǝf (L270p Tegelen),
trapschijf:
trapšīǝf (L270p Tegelen),
trekschijf:
trękšī̄ǝf (L270p Tegelen)
|
Het toestel waarop de draaier zijn produkten vormt. Men onderscheidt een toestel waarbij aan de onderzijde van de verticale as een vliegwiel is gemonteerd dat met behulp van de voeten in beweging wordt gebracht, de zogenaamde trapschijf, en een toestel dat met behulp van een lange houten boom en een soort krukas door een helper wordt aangedreven, de zogenaamde trekschijf. Zie ook afb. 3 en 4. [N 49, 24a; N 49, 24b; N 49, 24c; monogr.]
II-8
|
| 29466 |
draaischijfas |
as:
as (L270p Tegelen),
pin:
pen (L270p Tegelen)
|
De verticale as waarop bovenaan de bovenste schijf is gemonteerd en onderaan een soort vliegwiel. [N 49, 27a]
II-8
|