| 20507 |
dronkaard |
schnapsnaas:
sjnaps’naas (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
zuiplap:
zōēplap (L270p Tegelen)
|
drinkebroer || dronkaard; Hoe noemt U: Iemand die voortdurend dronken is (dronkaard, zatlapper, zwanzer, boemelaar, alcoholist) [N 80 (1980)] || gewoontedrinker
III-2-3
|
| 20635 |
dronken |
een brom derin:
n bròm d`r in (L270p Tegelen),
een stuk in de kont:
sjtök in de koont (L270p Tegelen),
een stuk in zijn kont:
e sjtök in zien kònt (L270p Tegelen),
een stuk in zijn lade:
e stök in zien laaj (L270p Tegelen),
een stuk in zijn nek:
e stök in ziene nek (L270p Tegelen),
een stuk in zijn pellerien:
sjtök in ziene pellerien (L270p Tegelen),
stuk in de lade:
stuk in de laaij (L270p Tegelen),
te diep in het glaasje gekeken:
te deep in het glaeske gekeke (L270p Tegelen),
te deep in t glaeske gekeke (L270p Tegelen),
zat:
zaat (L270p Tegelen),
zat (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
dronken [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 20622 |
dronken zijn |
belazerd zijn:
dae is belazerd (L270p Tegelen),
een aap hebben:
dae haet nen aap (L270p Tegelen),
een stuk in de kont hebben:
en sjtuk in de kónt hebbe (L270p Tegelen),
n sjtuk in de kont hebbe (L270p Tegelen),
een stuk in zijn kloten hebben:
en sjtuk in ziene klōēte hebbe (L270p Tegelen),
een stuk in zijn lade hebben:
en sjtuk in zien laaj hebbe (L270p Tegelen),
een stuk in zijn reet hebben:
en sjtuk in ziene reet hebbe (L270p Tegelen),
hem hebben hangen:
m hebbe hange (L270p Tegelen),
hem hebben zitten:
m hebbe zitte (L270p Tegelen),
hem om hebben:
m um hebbe (L270p Tegelen),
m öm hebbe (L270p Tegelen),
kachel zijn:
kachel zien (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
lollig zijn:
dae is lollig (L270p Tegelen),
weten wat de jenever kost:
weite wat de genever kôs (L270p Tegelen),
zat zijn:
zat zien (L270p Tegelen)
|
dronken [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 25232 |
droog blijven |
het is droog:
druueg (L270p Tegelen),
staand weer:
sjtaond waer (L270p Tegelen),
t blijft over]:
dreigend wéér (L270p Tegelen),
’t drief euver (L270p Tegelen),
’t drieft euver (L270p Tegelen),
’t waer sjteit zig te bedinke (L270p Tegelen)
|
droog blijven hoewel er regen dreigt, gezegd van het weer [t weert heen [N 22 (1963)] || droog blijven, gezegd van het weer [overblijven] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25128 |
droog weer |
droog:
druëg (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
drûuch (L270p Tegelen)
|
droog [DC 45 (1970)], [RND]
III-4-4
|
| 19656 |
droogdoek, theedoek |
handdoek:
hant˂dōk (L270p Tegelen),
schotelsplag:
šotəlsplak (L270p Tegelen)
|
de doek waarmee het afgewassen vaatwerk wordt gedroogd; zijn er verschillende soorten [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 29718 |
droogplaats |
baan:
bān (L270p Tegelen)
|
Het gedeelte van de steenbakkerij waar de vormelingen werden omgeslagen om te drogen tot ze hanteerbaar waren. De droogplaats werd voor de campagne gëgd, zonodig met zand opgevuld en met een verzwaard raamwerk gesleept, zodanig dat het oppervlak naar de kanten licht afhelde. Vervolgens werd het geheel gewalst - Geuskens, pag. 97. Drie meter breedte van de baan werd in Q 17 een zats (zats) genoemd. Was zoɛn stuk volgelegd, dan werd de vormtafel verplaatst. Zie ook het lemma ɛomzettenɛ.' [N 98, 95; monogr.]
II-8
|
| 29876 |
droograampje |
horretje:
hø̄̄rtjǝ (L270p Tegelen),
hø̜̜̄̄rkǝ (L270p Tegelen),
hø̜̜̄̄rtjǝ (L270p Tegelen)
|
Uit kleine latten vervaardigd droograampje voor pannen. [monogr.]
II-8
|
| 29715 |
droogrekken |
kasten:
kɛs (L270p Tegelen
[(enkelvoud: kas)]
),
scheuten:
šø̄̄tǝ (L270p Tegelen)
|
Houten of metalen gestel waarin de zetplanken met de daarop gedeponeerde ruwe dakpannen konden worden geplaatst. [monogr.]
II-8
|
| 34156 |
droogstaan |
droogstaan:
(de koe) štɛi̯t dryǝx (L270p Tegelen),
dryǝxštǭn (L270p Tegelen)
|
Geen melk meer geven. [N 3A, 72b; JG 1a, 1b]
I-11
|