| 32707 |
een weide scheuren |
bouwen:
[bouwen] (L270p Tegelen),
diep bouwen:
[diep bouwen] (L270p Tegelen),
diep ploegen:
[diepploegen] (L270p Tegelen),
schellen:
[schellen] (L270p Tegelen),
scheuren:
šø̄rǝ (L270p Tegelen)
|
Een weide scheuren is het omploegen van weiland, vooral om het daarna als akkerland te gebruiken. Voor (delen van) varianten die hieronder in de [... [JG 1a + 1b + 1c + 1d; N 11, 42a + b + c; N 11A, 114 + 115a + b; monogr.]
I-1
|
| 17709 |
een wind laten |
ene aftrekken:
einen aaftrèkke (L270p Tegelen),
ene laten vliegen:
d`r eine laote vlege (L270p Tegelen),
ein laote vlege (L270p Tegelen),
winden:
winge (L270p Tegelen)
|
wind laten [N 10c (1961)], [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34495 |
een zandbad nemen |
(zich) baden:
zex bāi̯ǝ (L270p Tegelen)
|
Met de vleugels een zandbad nemen in de zonneschijn, gezegd van kippen. [N 19, 61b; A 28, 13a; A 28, 13b; Lu 6, 13a; Lu 6, 13b; monogr.]
I-12
|
| 17981 |
een ziekte onder de leden hebben |
een krankheid onder de leden hebben:
hae haet n krankheit ònger de leje (L270p Tegelen),
een krankte onder zich hebben:
hae haet ein krenkde oonger zich (L270p Tegelen),
een ziekte bij zich dragen:
hae druug ein ziekte bee zich (L270p Tegelen),
get onder de leden hebben:
hèè hèèt get ónger de leeje (L270p Tegelen)
|
ziekte onder de leden hebben [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 28606 |
een zwerm opvangen |
scheppen:
šøpǝ (L270p Tegelen)
|
Het opvangen van een zwerm in een schepkorf. Wanneer een zwerm zich vastgezet heeft aan een tak of iets dergelijks, dan brengt de imker een kleine schepkorf onder de tros. Met een flinke ruk aan de tak valt de zwerm in de korf. Wanneer de bijen in de korf zitten, wordt deze langzaam omgedraaid, omdat de bijen zich aan de strowand of aan elkaar moeten kunnen vastklemmen. Soms moet men een tweede of derde ruk aan de tak geven. Hoe langer een zwerm hangt, hoe vaster hij zit. Een imker moet dus met scheppen niet al te lang wachten. De objecten zwerm, bij e.a. zijn in dit lemma niet gedocumenteerd. [N 63, 84a; JG 1a+1b; JG 2b-5, 4; Ge 37, 105; monogr.]
II-6
|
| 24584 |
eendekroos |
eendekroos:
eŋərkruwəs (L270p Tegelen),
kroost:
kroos(t) (L270p Tegelen)
|
eendekroos [DC 56 (1981)] || eendenkroos [Weijnen BN 04 (1939)]
III-4-3
|
| 33414 |
eendenhok |
eendenhok:
ēŋǝ(n)hǫk (L270p Tegelen),
ē̜ ̞ndǝ(n)hǫk (L270p Tegelen)
|
Afgeschotte ruimte in de stal, doorgaans vlak bij de kippenkooi, waar men eenden houdt. [A 10, 9j]
I-6
|
| 23052 |
eenling in carnavalsoptocht |
faats:
In n carnavalsoptocht: ne faátse persoën: iemand die als eenling iets uitbeeldt.
faáts (L270p Tegelen)
|
1. Enkel, niet meer dan een.
III-3-2
|
| 32631 |
eenscharige ploeg, rondgaande ploeg, voetploeg, radploeg, karploeg |
brabander:
brǭbɛndǝr (L270p Tegelen
[(voor ondiep ploegwerk)]
),
brabantse ploeg:
brǭbɛn(t)sǝ [ploeg] (L270p Tegelen
[(sedert ongeveer 1910 niet meer in gebruik)]
),
hondploeg:
hom[ploeg] (L270p Tegelen)
|
In dit lemma zijn de benamingen bijeengebracht voor a) de oude, houten, later ook ijzeren voetploeg, die in plaats van een schaats soms een wieltje had; b) de oude houten, later ook wel ijzeren karploeg waarmee men ofwel naar één kant, dus "rond" moest ploegen ofwel heen en weer kon ploegen, omdat kouter en riester op een naar rechts resp. naar links om te ploegen voor konden worden ingesteld. De oude ploeg kon, zoals de voetploeg in K 315, 353, 359 en Q 27 en de houten karploeg in L 115, ook gewoon "de ploeg" genoemd worden, omdat hij ter plaatse destijds het enige of meest gebruikte type was. Voor zijn opvolger, en met name de wentelploeg, kwam dan meestal een bijzondere term in gebruik. [N 11, 30 + 32c + 32e; N 11A, 67 + 68 + 69 + 75e + 78 + 97 + 114; N J, 10 add.; JG 1a + 1b; N 12, 25 add.; N 27, 14 + 15 add.; A 27, 24 add.; A 33 add.; div.; monogr.]
I-1
|
| 23709 |
eer aan de vader |
eer aan de vader:
eer aan de vader (L270p Tegelen)
|
Het "Eer aan de Vader..."of "Glorie zij de Vader...". [N 96B (1989)]
III-3-3
|