| 32790 |
eglichter |
eeglichter:
ē̜xlextǝr (L270p Tegelen),
eghaak:
ękhǭk, ęq(h)ǭk (L270p Tegelen),
licht:
lext (L270p Tegelen),
lichthout:
lex(t)hǫlt (L270p Tegelen)
|
Een houten stok, met twee touwen (of een touw) verbonden met de eg, ofwel een stok of staaf met een haak van onderen en een handgreep van boven, om deeg op te lichten tijdens het eggen. Zie de afb. 67 en 68. [JG 1a + 1b + 2c; N 11, 73a + b + c; N 11A, 165a + b; div.; monogr.]
I-2
|
| 32773 |
egtanden |
[eg]tanden:
[eg]tɛŋ (L270p Tegelen),
tanden:
tɛŋ (L270p Tegelen
[(sg ta.ŋk)]
)
|
Oude houten eggen hadden houten tanden. Ze waren schuin in het raam aangebracht, meestal in de hoofdbalken. Bij de driehoekige eg wezen ze in de richting van het verbindingspunt van de beide hoofdbalken. Bij een vierhoekige eg stonden de tanden naar één van de hoeken gericht. Een houten eg die als onkruideg gebruikt werd, was vaak van ijzeren tanden voorzien. Een ijzeren eg heeft steeds ijzeren tanden. In dit lemma zijn achter de (meervoudige) varianten of achter de plaatsnummers ook opgaven in de enkelvoudsvorm vermeld. [JG 1a + 1b; N 11, 68; N 11A, 155d + e; monogr.]
I-2
|
| 34536 |
ei zonder schaal |
windei:
weŋkęi̯ (L270p Tegelen)
|
Ei dat alleen door een vlies is omgeven en dat geen schaal heeft. [N 19, 54a; N 7, 11; JG 1b, 1c, 2c; L 5, 80; Vld.; L B2, 366; monogr.]
I-12
|
| 19742 |
eierdopje |
eierdopje:
eierdöpke (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
eierdopje [DC 39 (1965)]
III-2-1
|
| 34526 |
eieren uithalen |
rapen:
rāpǝ (L270p Tegelen),
uithalen:
ūthǭlǝ (L270p Tegelen)
|
De gelegde eieren uit het nest halen of oprapen. In dit lemma is een opgegeven object ei of eieren niet gedocumenteerd. Voor een fonetische documentatie van "ei" zie het lemma EI (5.11.2). [N 19, 35]
I-12
|
| 20526 |
eierkoek |
eierkoek:
eijerkook (L270p Tegelen),
eierkoekje:
eierkukske (L270p Tegelen)
|
eierkoek; Hoe noemt U: Een zachte koek gebakken van fijn deeg, waarin eieren zijn gekneed (eierkoek, eierstruif, flets) [N 80 (1980)] || eierkoekje
III-2-3
|
| 22738 |
eiertikken |
eieren tippen:
eiertippen (L270p Tegelen)
|
spelletjes met eieren [VC 29 (1964)]
III-3-2
|
| 19329 |
eigenwijs |
eigenwijs:
eigewies (L270p Tegelen)
|
eigenwijs; .... jullie maar niet zo eigenwijs geweest! [DC 45 (1970)]
III-1-4
|
| 24478 |
eik |
eik:
ɛi̯k (L270p Tegelen),
-
eik (L270p Tegelen),
eikenblad:
-
eikeblaad (L270p Tegelen),
eikenboom:
-
eikemboum (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
baum als Duits Baum
eikebaum (L270p Tegelen)
|
eik [DC 04 (1936)], [RND] || eik (Quercus robur) [DC 39 (1965)]
III-4-3
|
| 24479 |
eikel |
eikel:
ɛi̯kəls (L270p Tegelen),
-
eikels (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
eikels [RND] || eikels zoeken [DC 04 (1936)]
III-4-3
|