| 18206 |
gat in een kledingstuk |
gat:
B.v. in de zök. [´ : sleeptoon]
gáat (L270p Tegelen)
|
gat, opening
III-1-3
|
| 33472 |
gat in een klein dakschild |
uilegat:
ylǝgāt (L270p Tegelen)
|
In het kleine dakschild (boven de korte gevel) van een schilddak treffen we vaak een gat (soms een luik) aan om de zolder te beluchten en te belichten. De benamingen zijn vaak, vanwege functionele overeenkomst, dezelfde als voor het venster onder een dakwelving (zie dat lemma, 4.2.13). [N 4A, 45a; N 4, 26c]
I-6
|
| 25001 |
gat, opening |
gat:
gaat (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
’n gáat (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd) sleept)
e gaa’t (L270p Tegelen)
|
gat (znw enk) [N 26 (1964)]
III-4-4
|
| 25002 |
gat, opening (mv) |
gater:
gater (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
twië gaater (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
twië gaater (L270p Tegelen),
twië gater (L270p Tegelen)
|
gaten (znw mv) [N 26 (1964)]
III-4-4
|
| 25624 |
gaten in de kruim |
gaten:
gātǝr (L270p Tegelen)
|
De oorspronkelijke vraagstelling in N 29, 69b luidde: "Hoe noemt men de gaten in de kruin van het brood?" Het feit dat dit ''kruin kruim'' moest zijn, heeft de beantwoording niet noemenswaardig beïnvloed. [N 29, 69b; N 29, 69a; monogr.]
II-1
|
| 20742 |
gebakje |
gebakje:
Syst. Veldeke
gebakjes (L270p Tegelen),
Syst. WBD
gebakje (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
gebékske (L270p Tegelen),
taartje:
Syst. Veldeke
taertje (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke met div. namen, naar de vulling
taertjes (L270p Tegelen),
Syst. WBD
taertje (L270p Tegelen)
|
Gebakje (buntje, taartje, gatoke?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20683 |
gebakken aardappelen |
bradertjes:
bräo’terkes (L270p Tegelen),
gebakken patatten:
Syst. Veldeke
gebakke petatte (L270p Tegelen),
Syst. WBD
gebakke petatte (L270p Tegelen),
gebraden patatten:
Syst. Veldeke
gebraoje petatte (L270p Tegelen),
Syst. WBD
gebraoje petatte (L270p Tegelen),
patattenschijfjes:
Syst. WBD
petattesjīēfkes (L270p Tegelen)
|
In schijfjes gebakken aardappelen (erpel in de pan, kosjes, petatteschijfkes?) [N 16 (1962)] || pas geoogste ondermaatse aardappeltjes, speciaal met veel vet of olie gebraden
III-2-3
|
| 29883 |
gebakken pan |
gaarpan:
gārpan (L270p Tegelen)
|
[monogr.]
II-8
|
| 25620 |
gebarsten en zwartgeblakerd |
geschroeid:
gǝšrø̄t (L270p Tegelen)
|
[N 29, 66b; monogr.]
II-1
|
| 25619 |
gebarsten en zwartgeblakerde korst |
verbrande korst:
vǝrbrandǝ kors (L270p Tegelen)
|
Door een te hoge oventemperatuur ontstaat er een verkoolde korst. Een aantal benamingen duidt op het hele brood. [N 29, 66b; N 29, 66a]
II-1
|