| 33680 |
lage, natte zandgrond |
bandgrond:
bāntgroŋk (L270p Tegelen),
broekgrond:
brōkgrōŋk (L270p Tegelen),
zure:
zūrǝ (L270p Tegelen)
|
[N 27, 35; R 3, 5]
I-8
|
| 30067 |
lagenmaat |
laagverdeling:
lǭx˲vǝrdęjleŋ (L270p Tegelen)
|
De dikte van één baksteen plus één lintvoeg. Zie ook afb. 28 en 41. [N 31, 8a; N 31, 7c; monogr.]
II-9
|
| 30068 |
lagenverdeellat |
hoogtelatje:
høǝxtǝlɛtjǝ (L270p Tegelen),
verdeellat:
vǝrdęjllat (L270p Tegelen)
|
Maatlat die is onderverdeeld in eenheden die ieder de dikte van één baksteen plus één voeg groot zijn. De lagenverdeellat heeft doorgaans een lengte van 1,10 m en wordt door de metselaar tegen de profielen gehouden om de laagverdeling daarop te kunnen aftekenen. Deze werkzaamheden werden in Q 3 'voegen aftekenen' ('vugǝ ǭftēkǝnǝ') en in L 414 'aftekenen' ('āftīkǝnǝ') genoemd. Zie ook afb. 28. [N 31, 8a; N 31, 8b; N 31, 7c; monogr.; div.]
II-9
|
| 18351 |
lakschoen |
lakschoen:
laksjoon (L270p Tegelen),
laksjòon (L270p Tegelen),
laksjóon (L270p Tegelen)
|
lakschoenen [gelakkerde sjeun] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18147 |
lam |
lam:
lam (L270p Tegelen),
lammetje:
lɛmkǝ (L270p Tegelen),
lem:
lɛm (L270p Tegelen),
schaapje:
šø̜pkǝ (L270p Tegelen)
|
Jong van het schaap in het algemeen. Zie afbeelding 5. [N 70, 3; R 3, 36; S 20; Wi 5; Wi 12; L 20, 22c; L 6, 25; L 1a-m; JG 1a, 1b; AGV, m 3; A 2, 45; A 2, 1; A 4, 22c; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 34412 |
lammeren |
lammen:
lāmǝ (L270p Tegelen)
|
Jongen ter wereld brengen, gezegd van het vrouwelijk schaap. [N 19, 67; JG 1a, 1b; L 29, 32; L 1a-m; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 20669 |
lammetjespap |
boekweitsmeelpap:
Syst. WBD
bôkgesmaelpap (L270p Tegelen),
boekweitspap:
Syst. Veldeke Lemkespap is pap van "gebuuld weite (tarwe)mael
bógkespap (L270p Tegelen),
Syst. WBD
boGespap (L270p Tegelen)
|
Pap van boekweitmeel (lemmekespap?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34586 |
lamoen |
kerstel:
kǝrstęl (L270p Tegelen
[(geheel zonder de bak)]
),
lamoen:
lǝmun (L270p Tegelen)
|
Het voorstel in z''n geheel: de twee berries en de verbindingsscheien. De benaming voor het lamoen komt voornamelijk voor in het zuidoosten van Belgisch Limburg en in het zuiden van Nederlands Limburg. [N 17, 50b + 90; N G, 54b + 56h + 64a; JG 1a; JG 1b; JG 1d; JG 2c; L 32, 63; L 34, 10; A 27, 20; Lu 5, 20]
I-13
|
| 19485 |
lampenpit |
lemmet:
leement (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
lemet (L270p Tegelen),
lēmənt (L270p Tegelen),
wiek:
(korte ee-klank)
week (L270p Tegelen)
|
lampekatoen in petroleumlampen || lampepit van katoen in een petroleumlamp (limet, lemmet, lemment, lemmert) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21145 |
landauer |
landauer:
landǫwǝr (L270p Tegelen)
|
Vierwielig rijtuig voor vier personen met afzonderlijk neerklapbare voor- en achterkap. Tegenwoordig wordt het nog wel eens als bruidswagen gebruikt. De koetsier heeft een aparte bok. [N 101, 13; N G, 51; L 27, 33; monogr.]
I-13
|