| 18346 |
lap op een schoen |
lap:
lap (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
lap op een schoen, stukje leer waarmee het bovenleer wordt gerepareerd [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 24420 |
larve van de libel |
sprok:
sjprok (L270p Tegelen)
|
larve vd libel
III-4-2
|
| 19031 |
lastig kind |
kemmelvotje:
kemmelvötje (L270p Tegelen)
|
lastig en eigenzinnig klein kind of meisje
III-1-4
|
| 30234 |
latei |
betonnen balk:
bǝtonǝn balǝk (L270p Tegelen),
ijzeren balk:
izǝrǝn balǝk (L270p Tegelen)
|
Houten, stenen of ijzeren balk die een venster, ingang of andere opening overspant en tevens het bovenliggende muurwerk draagt. De lateibalk wordt vaak in het muurwerk verwerkt zodat hij niet in het zicht komt. d.i.n. in het woordtype 'd.i.n.-balk' is een afkorting van ø̄deutsche Industrienormø̄. [N 55, 74; N 32, 15a; N 32, 15b; monogr.]
II-9
|
| 23752 |
laten wijden |
het land laten zegenen:
t lank laote zegene (L270p Tegelen),
laten zegenen:
laote zegene (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
Een akker laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een huis of gebouw laten (in)wijden/(in)zegenen. [N 96B (1989)] || Een kruisbeeld, een heiligenbeeld(je), een kaars laten wijden/zegenen. [N 96B (1989)] || Een rozenkrans, een scapulier, een medaille, een kruisje laten wijden/zegenen door een priester. [N 96B (1989)] || Een voertuig (auto/wagen) laten wijden/zegenen, op of rond het feest van St. Christoffel (25 juni). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33384 |
latierboom |
box (e.):
boks (L270p Tegelen),
bǫks (L270p Tegelen)
|
Een horizontale balk die twee paarden van elkaar scheidt, meestal hangend aan kettingen, ook wel vast verbonden. In plaats van een hangende balk kan er ook een eenvoudige en niet al te hoge tussenwand zijn. Met een box is een afgeschutte ruimte voor één paard bedoeld; de tussenwand maakt dan deel uit van de box. [N 5A, 59d; monogr.]
I-6
|
| 25226 |
lauw weer |
lauw (weer):
lauw (L270p Tegelen)
|
warm noch koud, gezegd van het weer [lauw, voos] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 34106 |
lebmaag |
lebmaag:
lɛb˱māx (L270p Tegelen)
|
De vierde of eigenlijke maag van de koe, de maag met heel grove uitsteeksels aan de binnenkant. Via de lebmaag gaat het voedsel in de darmen over. [N 28, 84; A 9, 11d]
I-11
|
| 18356 |
lederen pantoffel |
leren pantoffel:
laere pentoeffels (L270p Tegelen),
pantoffel:
pantoefels (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
pantoffels, lederen ~, gemakkelijke huisschoenen zonder veters [petoffels, pantoefels, trumpe, sjlutsje, sloffe, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29520 |
lederhard |
aangedroogd:
aangedroogd (L270p Tegelen),
half droog:
half droog (L270p Tegelen)
|
Gezegd van produkten die nog niet droog genoeg zijn om gebakken te worden. [N 49, 49a]
II-8
|