| 33883 |
leewater |
leewater:
lēwātǝr (L270p Tegelen)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
gust (bijvgl. nmw.):
gȳst (L270p Tegelen),
gøst (L270p Tegelen),
guste maal:
gø̜stǝ mǭl (L270p Tegelen)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 29060 |
legger |
gal:
(mv)
galǝ (L270p Tegelen),
legger:
lęqǝr (L270p Tegelen)
|
Een veel voorkomende zwelling of slijmbeursje van verschillende grootte aan de achterkant van de elleboog. Ze ontstaat door de druk van de kalkoenen der voorijzers op het gewricht, als het dier over een te kleine ligplaats beschikt en daardoor met de borst op de onder het lijf getrokken voeten ligt. De legger is een schoonheidsfout, die bij het lopen niet hindert maar wel pijnlijk kan zijn. [N 8, 32.1, 90d, 90f en 90g; monogr.] || Het liggend deel van een omvallende kraag. [N 59, 123b]
I-9, II-7
|
| 33409 |
legnest |
bocht:
box (L270p Tegelen),
eierbocht:
ęi̯ǝrbox (L270p Tegelen),
hoenderbocht:
hondǝrbox (L270p Tegelen),
legnest:
leqnęs(t) (L270p Tegelen)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
leien (L270p Tegelen),
leij (L270p Tegelen),
leije (L270p Tegelen)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30465 |
leidekker |
leiendekker:
lęjǝndękǝr (L270p Tegelen)
|
De man die daken van huizen, kerken en torens met leien dekt. Zie ook het lemma 'Daklei'. [N 64, 137e; N 30, 3e; monogr.; div.]
II-9
|
| 34147 |
leiden |
dekken:
dɛkǝ (L270p Tegelen)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 29899 |
leipan |
daktegel:
dā.ktēgǝl (L270p Tegelen)
|
Gebakken dakpan in de vorm en afmeting van de natuurlijke lei. Leipannen worden gespijkerd, zij hebben geen kop- of zijsluiting en moeten daarom zo gedekt worden dat de naad tussen twee leipannen afgedekt wordt door een bovenliggende pan. [N 32, 49a]
II-8
|
| 32337 |
lek geworden |
verdroogd:
vǝrdrȳǝxt (L270p Tegelen),
verrateld:
vǝrrātǝlt (L270p Tegelen)
|
Een lek in een vat of ton wordt meestal veroorzaakt door uitdroging van het hout waardoor de banden los gaan zitten en de duigen en bodemplanken niet meer tegen elkaar aan sluiten. [N E, 52]
II-12
|
| 20580 |
lekkerbek |
vreetjanus:
vraetjáánəs (L270p Tegelen)
|
lekkerbek; Hoe noemt U: Iemand die goed kan eten (lekkerbek, lekkertand, likkebaard, fijnbek, smulbaard, smuiger) [N 80 (1980)]
III-2-3
|