| 21341 |
leurder |
huiskoopman:
Opm. de oe (van "hoes") gerekt uitspreken.
⁄ne hoes-koupman (L270p Tegelen),
kramer:
enne kriëmer (L270p Tegelen),
kriëmer (L270p Tegelen),
leurder:
⁄ne leurder (L270p Tegelen),
venter:
Opm. dit is de huidige benaming.
venter (L270p Tegelen)
|
koopman die met zijn waren langs de deuren gaat? [N 21 (1963)] || leurder; Hoe werd de man genoemd die dat deed? [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 21431 |
leuren |
de boer opgaan:
de boer op gaon (L270p Tegelen),
dÚn boer op gaon (L270p Tegelen),
hae geit mèt manefakteure de boer op (L270p Tegelen),
krameren:
kriëmere (L270p Tegelen),
op de handel gaan:
Opm. voor koop en verkoop.
op den handel gaon (L270p Tegelen),
uitvaren:
oetvaare (L270p Tegelen)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: "op koopmanschap gaan"= erop uittrekken om zijn waren te verkopen? Zo neen, welke andere uitdrukking. Geeft u nauwkeurig de uitspraak aan. [N 21 (1963)] || leuren; Kent u een oud woord voor te voet met de handelswaar langs de huizen gaan van deur tot deur zoals bijvoorbeeld marskramers en ketellappers deden? [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 17568 |
levend vlees onder de huid |
leven, het -:
laeve (L270p Tegelen),
t laeve (L270p Tegelen),
⁄t lève (L270p Tegelen)
|
levend vlees onder de huid [t leeve] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17697 |
lever |
lever:
laever (L270p Tegelen),
lè.ver (L270p Tegelen),
lèver (L270p Tegelen),
lèèver (L270p Tegelen),
lē̜vǝr (L270p Tegelen)
|
Grote klier waarin onder andere gal wordt afgescheiden. [N 28, 88c] || lever [leevert, lijver, livvere] [N 10 (1961)]
I-11, III-1-1
|
| 20514 |
leverworst |
leverworst:
laeverwors (L270p Tegelen),
laeverwòrs (L270p Tegelen),
lèverwòrs (L270p Tegelen),
lèèverwors (L270p Tegelen),
pijpworstje:
gewoonlijk gemaakt van de laatste restjes worstvlees bij huisslachtingen, speciaal voor de kinderen
piep’wörsje (L270p Tegelen)
|
heel klein bloed of leverworstje || leverworst [N 06 (1960)] || leverworst; Hoe noemt U: Worst met lever als hoofdbestanddeel (lol, leverworst, leverpens) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24342 |
libel en waterjuffer |
garenpaap:
garepaap (L270p Tegelen),
glazensnijder:
glazensnijder (L270p Tegelen)
|
libel, alg. [DC 27 (1955)]
III-4-2
|
| 17540 |
lichaam |
lichaam:
lichaam (L270p Tegelen),
lijf:
het līēf (L270p Tegelen),
lief (L270p Tegelen),
⁄t lief (L270p Tegelen),
⁄t līēf (L270p Tegelen),
pens:
pens (L270p Tegelen)
|
lichaam [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17971 |
lichaamskracht |
leven, het -:
⁄t laeve (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
macht:
mach (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
macht (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
lichaamskracht (kracht die een zieke geleidelijk verspeelt) [macht, maacht] [N 10 (1961)]
III-1-2, III-1-4
|
| 18084 |
lichaamsvocht |
beenvocht:
beinvoch (L270p Tegelen),
beenwater:
beinwater (L270p Tegelen),
gewrichtsnat:
gewrichtsnâât (L270p Tegelen)
|
lichaamsvocht (dat zich bijv. in de gewrichten bevindt) [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 25161 |
licht vriezen |
een beetje gevreur:
ien bĭĕtje gevreur (L270p Tegelen)
|
lichtjes vriezen [schorzelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|