| 18773 |
soorten hoeden |
pats:
Na 1920 in onbruik geraakt. Zie ook afb. p. 108.
pats (L270p Tegelen)
|
hoofddeksel voor kinderen, naar het model van de matrozenmuts
III-1-3
|
| 32576 |
soorten van dierlijke mest |
koemest:
ku[mest] (L270p Tegelen),
paardemest:
pē̜rdǝ[mest] (L270p Tegelen)
|
De termen voor de verschillende soorten van dierlijke mest zijn op deze plaats in een lemma verenigd, omdat er (met name door N 11 en N 11A) in het kader van de bemesting van akker en weide naar werd geïnformeerd. Ze zouden evengoed passen in de sfeer van het uitmesten van de stallen en de mestbereiding, ook al kan men voor bepaalde gewassen de akker het best bemesten met de mest van een bepaalde veesoort en zal men in de mestvaalt sommige soorten dierlijke mest afzonderlijk verzamelen. In sommige plaatsen wordt naast of in plaats van (stal)mest het woordtype koestalmest of koemest gebruikt ter aanduiding van natuurlijke mest. Dat is niet verwonderlijk wanneer men bedenkt dat op de boerderij de meeste mest geproduceerd wordt door de koeien. In dit lemma zijn geen benamingen opgenomen, die specifiek zijn voor de uitwerpselen van de genoemde diersoorten. Voor de plaatselijke varianten van -[mest [JG 1a + 1b add.; A 9, 24 + 25; N 11, 27; N 11A, 5a t /m f; N M, 10a + b add.; L 20, 22f; A 4, 22f]
I-1
|
| 29065 |
sousbras |
sousbras:
subrās (L270p Tegelen)
|
Schuingesneden zemen of gummi lapje, in de armsgaten van japonnen en mantels gedragen tegen het doorzweten in de oksels. [N 59, 132]
II-7
|
| 34576 |
spaak |
speek:
špęi̯k (L270p Tegelen),
speken:
špęi̯kǝ (L270p Tegelen)
|
Elk van de houten staven die de verbinding vormen tussen de velg van het wiel en de naaf. Afhankelijk van de omtrek van het wiel zijn er tien tot zestien spaken. Er zijn twee soorten spaken: ronde en platte. Voor zover ze specifieke benamingen krijgen, worden ze behandeld onder A resp. B. [N 17, 61a-b + 62a-b; N 18, 99; N G, 44a; JG 1a; JG 1b; JG 2b; S 34; A 4, 20b; L 20, 20b; L 7, 13; monogr.]
I-13
|
| 32207 |
spaakgaten |
speekgaten:
špęjk˲gātǝr (L270p Tegelen),
speekgater:
špęjk˲gātǝr (L270p Tegelen)
|
De met de zulaks gekapte, of, in modernere wagenmakerijen, met behulp van een speciale houtbewerkingsmachine in de naaf gefreesde gaten, waar de spaken in worden geslagen. [N G, 43f]
II-12
|
| 32212 |
spaakhamer |
speekhamel:
špęjkhāmǝl (L270p Tegelen),
speekhamer:
špęjkhāmǝr (L270p Tegelen)
|
Zware hamer met lange, houten steel, die wordt gebruikt om de spaken in de naaf te slaan. Zie ook afb. 187. [N G, 40a]
II-12
|
| 32211 |
spaakkuil |
speekkuil:
špęjkkul (L270p Tegelen)
|
Kuil of put in de werkplaats van de wagenmaker van ongeveer 2 meter lang, 1 meter diep en 20 cm breed, die wordt gebruikt om spaken in de naaf te slaan. Aan de bovenzijde is de spaakkuil afgedekt met drie balken. De middelste daarvan wordt weggenomen als de spaakkuil wordt gebruikt. De naaf wordt draaibaar op de rand van de spaakkuil vastgezet met behulp van wiggen. Zie ook afb. 186. [N G, 8a]
II-12
|
| 32214 |
spaakzwei |
wijzer:
wīzǝr (L270p Tegelen),
zwei:
žwɛj (L270p Tegelen)
|
Werktuig dat dient voor het richten van de spaken. Er zijn verschillende uitvoeringen van de spaakzwei, maar vaak bestaat het uit een één meter lange lat die met één uiteinde in het midden van de naaf wordt bevestigd. De spaakzwei is voorzien van een gleuf, waarin met behulp van twee moeren en sluitringen een stelpin van ongeveer 20 cm lengte vastgezet kan worden. Door middel van deze stelschroef kan de schuine stand van de spaken precies worden aangegeven. Zie ook afb. 189. [N G, 21a]
II-12
|
| 29495 |
spaan |
spaan:
spaan (L270p Tegelen)
|
Houten lat van ongeveer 30 cm lang, 6 cm breed en 1 cm dik met aan de onderzijde een scherpe kant, waarmee het gedroogde aardewerk wordt geschaafd. Zie ook afb. 8. [N 49, 34a]
II-8
|
| 19604 |
spaanderhouder, —bus |
flimpenbakje:
vero.
flempəbɛkskə (L270p Tegelen),
flimpenrekje:
flimpen rekske zie tekening
flempənrɛkske (L270p Tegelen)
|
een bij kachel of fornuis hangend bakje, waarin de flimpe ter droging bewaard werden || spaantje van hout waarmee men vuur neemt uit de kachel of de haard, bijv. om een pijp op te steken (servieskes) [N 20 (zj)]
III-2-1
|