| 31953 |
spijkeren |
nagelen:
nē̜gǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Met een hamer spijkers in het hout slaan. [N 53, 152a-b; L 5, 7; monogr.]
II-12
|
| 30126 |
spijkerribben |
draagbalkjes:
drāx˱bɛlǝkskǝs (L270p Tegelen),
vulbalkjes:
vø̜lbɛlǝkskǝs (L270p Tegelen)
|
Houten balken die over de gewelven van een kelder worden aangebracht. Op de spijkerribben worden de vloerplanken van de benedenverdieping gespijkerd. [N 32, 21a; monogr.]
II-9
|
| 30860 |
spijkertrekker |
nageltrekker:
nāgǝltrękǝr (L270p Tegelen)
|
De algemene benaming voor verschillende soorten metalen werktuigen met klauwvormige bek waarmee spijkers e.d. kunnen worden uitgetrokken. Zie ook afb. 96. De benamingen koevoet e.d., breekijzer en sloopijzer duiden een ijzeren hefboom van 90 tot 120 cm lang aan, die van onderen eindigt in een schuinstaande, gespleten klauw. Het werktuig wordt onder meer gebruikt bij sloopwerk en om spijkers uit te trekken. Zie ook het lemma ɛkoevoet, hefboomɛ in Wld II.11, pag. 8.' [N 53, 140-141; monogr.]
II-12
|
| 34592 |
spil van de berries |
draaispil:
drɛi̯špil (L270p Tegelen),
slagspil:
šlāxšpil (L270p Tegelen),
spil:
špil (L270p Tegelen)
|
IJzeren spil waarmee de berries van de slagkar bevestigd zitten aan de draagbomen onder de bak. [N 17, 18; N G, 56c]
I-13
|
| 24379 |
spin |
kamerspin:
Veldeke (iets gewijzigd)
kamersjpin (L270p Tegelen),
spin:
sjpin (L270p Tegelen),
spen (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
sjpin (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
sjpin (L270p Tegelen),
vrijer:
Veldeke (iets gewijzigd) Additie bij vraag 4: - wel eens voor meid of dochter, met schoonhouden belast
vri-jjer (L270p Tegelen)
|
huisspin, kamerspin, die binnenshuis horizontale webben spant [N 26 (1964)] || spin [N 26 (1964)], [RND] || spin [spinnekop, spinnenbijter, vrijer] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 20121 |
spinnen |
spinnen:
špenǝ (L270p Tegelen)
|
De handeling die met behulp van een spinnewiel werd verricht. Vooral voor vlas en hennep was het raadzaam de spinvingers nat te houden tijdens het spinnen. Hiervoor had men een klein potje met water aan rokken of wiel hangen (Weyns, pag. 844-845). Soms werden daartoe ook wel kleine, twee-orige kruikjes van ongeveer 7 cm hoog gebruikt, gebakken onder andere te Raeren. [N 34, C; RND 3; Wi 27; S 34; monogr.]
II-7
|
| 24381 |
spinnenweb |
spinnengeweef:
sjpin’negewaef (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
sjpinnegewaef (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
sjpinnegewaef (L270p Tegelen),
spinnenweb:
sjpinnewep (L270p Tegelen),
spenəwɛp (L270p Tegelen)
|
spinnenweb [RND] || spinneweb [spinnegeweef, -gewep, -kop] [N 26 (1964)] || spinrag
III-4-2
|
| 28981 |
spinnetje, driehoekige trens |
spin:
špen (L270p Tegelen)
|
Handgeborduurde hechting in de vorm van een driehoek, toegepast als versterking van de uiteinden van plooi, zak of split, of een vliegvormig gestikt hoekje tegen het uitscheuren. [N 62, 41b; N 59, 57; MW]
II-7
|
| 29117 |
spinnewiel |
spoel:
špōl (L270p Tegelen)
|
Toestel om vlas, wol en soms ook andere vezelsoorten te spinnen. Men kent verschillende soorten spinnewielen. Er zijn er waarbij de spil met kam of vleugel boven het wiel is ingebouwd en waarbij de voet een schijfvormig, horizontaal blokje op vier (soms drie) pootjes is. Dit is het zogenaamde blokwiel of de blokspoel. Verder is er een model waarbij de spil naast het wiel is gebouwd. In het rechthoekige, schuingerichte blokje steken drie poten die zich lijken schrap te zetten. Vandaar ook wel benamingen als geit en germ. Een derde model met spil en vleugel naast het wiel en waarbij het dragende gedeelte een rechthoekig raam is, komt niet zoveel voor (Weyns, pag. 843). Dit is het zogenoemde raamwiel. Bij de blokspoel draait het grote wiel vlak voor de spinster of spinner. Het spinmechanisme staat midden boven het wiel ter hoogte van de borst van degene die spint. De blokspoel werd in de jaren 1940-1945 populair. Ze heeft maar de helft staanplaats nodig vergeleken met de ø̄lange spoelø̄ (informant van L 320a). Ze kon in kleine ruimtes zoals die op binnenschepen worden gebruikt (Weyns, pag. 843). Vandaar ook de benaming schippersspoel. Ook de benaming bok duidt op het model ø̄blokspoelø̄. De benamingen bok, geit en germ zijn vergelijkenderwijs ontstaan door de bepaalde vorm van het spinnewiel. Zie afb. 50. [N 34, A; N 5A (I]
II-7
|
| 18088 |
spit |
heksenscheut:
`ne heksesjeut (L270p Tegelen),
scheut in de rug:
`ne sjeut (L270p Tegelen)
|
Een plotseling optredende, lang aanhoudende spierkramp die bij een bepaalde beweging, meestal aan 1 zijde, in de lendenspieren optreed? (Nederlands: spit) [DC 60 (1985)]
III-1-2
|