| 33643 |
stuk grond |
plak:
plak (L270p Tegelen),
stuk:
štø̜k (L270p Tegelen)
|
Een stuk land, een perceel grond, in het algemeen. [N 27, 2a en 5; Vld.; N 11A, 106 add.; monogr.]
I-8
|
| 29852 |
stuk klei |
blok:
blǫk (L270p Tegelen
[(meervoud: blø̜k)]
),
brok:
brǫk (L270p Tegelen
[(meervoud: brø̜k)]
)
|
Brok of blok klei. [monogr.]
II-8
|
| 33712 |
stuk onontgonnen grond |
hei:
hęi̯ (L270p Tegelen),
zomp:
zomp (L270p Tegelen)
|
Een stuk woeste grond, nog niet ontgonnen hei, veen of moeras. [N 27, 4a; N 11, 6; N 11A, 112; ALE 254]
I-8
|
| 29892 |
stukken houtskool |
ameren:
ǭmǝrǝ (L270p Tegelen)
|
In L 270 werd de vrouw die de stukken houtskool ophaalde en ze vervolgens in de omgeving verkocht, amerenmarieke (ǭm\r\marik\) genoemd - Donkers, pag. 51. In L 381 gebruikte men een ijzer om stukken houtskool uit de oven te trekken. Men noemde dit een kissel (kes\l). [monogr.]
II-8
|
| 34023 |
stuks -vee |
koebeesten:
kubīǝstǝ (L270p Tegelen),
koeien:
kyi̯ (L270p Tegelen),
stuks (vee):
stø̜ks (L270p Tegelen)
|
Een boer heeft 10, 12, 14 enz. stuks vee. [N 3A, 2]
I-11
|
| 20847 |
suiker |
suiker:
sôk’ker (L270p Tegelen)
|
suiker
III-2-3
|
| 33230 |
suikerbiet |
suikerbiet:
sǫkǝrbit (L270p Tegelen),
suikerkroot:
sokǝrkrǫt (L270p Tegelen),
sø̜kǝrkrǫt (L270p Tegelen),
suikerpee:
sǫkǝrpei̯ (L270p Tegelen),
suikerreub:
sokǝrrø̄p (L270p Tegelen)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 20785 |
suikerbrood |
klontjesweg:
kluntjes wêgk (L270p Tegelen),
steeds kandij
kluntjes-wêk (L270p Tegelen)
|
brood waarin suiker gebakken wordt [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 20543 |
suikerklontje |
klontje:
kluntjə (L270p Tegelen)
|
klontje; Hoe noemt U: Een blokje suiker (klontje) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20358 |
suikeroom |
suikeroom:
sokkəroeəmə (L270p Tegelen)
|
erfoom (suikeroom) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|