| 33791 |
teellid |
schacht:
šax (L270p Tegelen),
šaxt (L270p Tegelen)
|
Penis of roede. [JG 1a, 1b; N 8, 36, 37a en 37b]
I-9
|
| 33835 |
teentreder |
teentreder:
tiǝntrę̄i̯ǝr (L270p Tegelen)
|
Paard met naar binnen gedraaide hoeven, waarvan het het voorste deel eerst op de grond zet, omdat een achterpees lam is; daardoor heeft het geen vlotte gang. [N 8, 84b]
I-9
|
| 33850 |
tegelijkertijd galopperen en draven |
klavetteren:
klavętǝrǝ (L270p Tegelen)
|
Gelijktijdig galopperen en draven, bijv. met de voorpoten galopperen en met de achterbenen draven, ofwel afwisselend draven en galopperen. De correspondenten kennen hiervoor weinig specifieke woorden: enkel fetteren en springen. Er komen wel een aantal klanknabootsende woorden voor in de betekenis "snel, wild lopen". [N 8, 20, 81c en 81e]
I-9
|
| 29957 |
tegelsnijder |
snijbeugel:
šnijbø̄gǝl (L270p Tegelen)
|
Werktuig waarmee tegels gesneden kunnen worden. Er zijn verschillende modellen en uitvoeringen. De 'tegelsnijbeugel' bestaat uit een u-vormig gebogen metalen staaf waarbij aan één uiteinde een rubberen aandrukwiel en aan het andere een hardstalen wieltje is aangebracht. Met behulp van het snijwieltje wordt de glazuurlaag van de tegel ingekerfd. Bij de 'tegelsnijmachine' wordt het snijwieltje met behulp van een hefboom tegen de glazuurlaag van de tegel gedrukt. [N 32, 42a]
II-9
|
| 29958 |
tegeltang |
knijptang:
kni.ptaŋ (L270p Tegelen),
nijptang:
niptaŋ (L270p Tegelen)
|
Tang waarmee kleine stukjes van een tegel geknipt kunnen worden. De tegeltang lijkt op een nijptang maar heeft smallere bekken en langere benen. [N 32, 42b]
II-9
|
| 29927 |
tegelzetter |
tegellegger:
tēgǝllɛqǝr (L270p Tegelen),
tegelzetter:
tēgǝlzętǝr (L270p Tegelen)
|
Arbeider die in een bouwwerk de vloer- en muurtegels plaatst. [N 32, 41d; N 30, 3e]
II-9
|
| 22429 |
tegen de bal schoppen |
schoppen:
De linksveur sjöpde dm bál langs de kieper in de gool.
sjöppe (L270p Tegelen),
stampen:
De kieper sjtampde dm bál wies euver de middellien.
sjtampe (L270p Tegelen)
|
1. Trappen, schoppen. || Schoppen, stampen.
III-3-2
|
| 31863 |
tegen de draad in schaven |
tegenstrops schaven:
tē̜gǝštrǫps šāvǝ (L270p Tegelen)
|
Tegen de richting van de houtvezels schaven. [N 53, 115]
II-12
|
| 31896 |
tegen de draad inschuren |
tegenstrops schuren:
tēgǝštrǫps šūrǝ (L270p Tegelen)
|
Het hout tegen de richting van de houtvezels schuren. [N 53, 155f]
II-12
|
| 31983 |
tekenaar |
tekenaar:
tęjkǝnē̜r (L270p Tegelen)
|
De persoon die de werktekeningen maakt. [N 53, 205c]
II-12
|