| 31982 |
tekenen |
een tekening maken:
ǝn tęjkǝneŋ mākǝ (L270p Tegelen)
|
ksitęjkǝnǝ L 271; een constructietekening maken: ęjn kǫnštrøksitęjkǝne [N 53, 205a]
II-12
|
| 32965 |
telen, verbouwen |
verbouwen:
vǝrbǫu̯ǝ (L270p Tegelen)
|
Het voor gebruik tot ontwikkeling brengen van een gewas. Zie ook de meer specifieke lemma''s ''zaaien'' (2.1) en ''poten, planten'' in aflevering I.5. Voor twachten zie Rutten, Haspengouwsch Idioticon 239: "winnen van zaad". [N Q, 9; L 1 a-m; S 20; Wi 43; monogr.]
I-4
|
| 24004 |
ten doop houden |
ten doop houden:
ten doup haaje (L270p Tegelen)
|
Het ten doop houden, het vasthouden van het kind tijdens de doop. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23638 |
ten offer gaan |
rondgaan:
ronkgaon (L270p Tegelen)
|
De offergang, rondgang van de gelovigen rond het offerblok [offergank?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24055 |
ten volle bediend zijn |
bediend geworden:
bedeend waere (L270p Tegelen)
|
Ten volle bediend zijn, d.w.z. gebiecht, de H. Communie en het H. Oliesel ontvangen hebben. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17632 |
tepel |
tepel:
tepel (L270p Tegelen),
tepels (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
tēpǝl (L270p Tegelen)
|
borsttepels [N 10c (1961)] || Deem, speen, borst. [A 30, 6e; L 49, 6e; N 8, 39a, 39b en 40] || Welk woord bezigt men voor de tepel van een vrouwenborst? [DC 43 (1968)]
I-9, III-1-1
|
| 34320 |
tepel, tet |
mem:
mɛm (L270p Tegelen),
mɛ̄m (L270p Tegelen)
|
Het afzonderlijk melkgevend orgaan van het varken of de tepel. [N 19, 19a; JG 1a, 1b; L 49, 6d; A 30, 6d; G 1, 6d; monogr.]
I-12
|
| 20477 |
ter begrafenis gaan |
naar de begrafenis gaan:
nao de begrafenis gaon (L270p Tegelen)
|
ter begrafenis gaan [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 24069 |
teraardebestelling |
begraven:
begrave (L270p Tegelen)
|
De teraardebestelling. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 29038 |
teruglopen |
teruglopen:
tryklǫwpǝ (L270p Tegelen)
|
Het teruglopen van de bij het dresseren ingeperste ruimte. [N 59, 81c]
II-7
|