| 17731 |
tranende ogen |
soepogen:
soepauge (L270p Tegelen),
zijpogen:
ziep auge (L270p Tegelen),
ziepauge (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
zīēpouge (L270p Tegelen),
zijpoogjes:
sie.peugskes (L270p Tegelen)
|
oog: tranende ogen [sijp-, siep-, sijper-, seeper-, soep-, leep-, prutooge] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 30057 |
trapfundering |
traps fundament:
traps føndamɛnt (L270p Tegelen),
verspringend fundament:
vǝrspreŋǝnt føndamɛnt (L270p Tegelen)
|
Gemetselde fundering die met versnedingen naar boven toe steeds smaller wordt. Doorgaans wordt het metselwerk daartoe om de twee lagen aan weerskanten met een klezoor verminderd. Als basis voor dit soort funderingen wordt gebruikt gemaakt van een 'vlijlaag', een laag metselstenen op hun plat die in een zandlaag worden gelegd, of van een 'straatlaag', een laag metselstenen die op hun kant in een zandlaag rusten. Zie ook afb. 25a. [N 31, 2a]
II-9
|
| 19710 |
trapleer |
trapje:
voor de kleinere modellen
trepke (L270p Tegelen),
trapleder:
trapleier (L270p Tegelen),
trapleijer (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
trapleer [DC 39 (1965)]
III-2-1
|
| 28892 |
trapnaaimachine |
trapmachine:
trapmǝšīn (L270p Tegelen)
|
Naaimachine die men door trapbewegingen van de voet in beweging zet. [N 59, 17b]
II-7
|
| 33852 |
trappelende bewegingen maken |
dabben:
dabǝ (L270p Tegelen)
|
Het paard tilt de poten hoog genoeg op, maar werpt ze niet vooruit; het blijft ter plaatse trappelen. [N 8, 70b en 71]
I-9
|
| 23282 |
trappist |
trappist:
trappis (L270p Tegelen)
|
Een Trappist [Latrap]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 29994 |
trascement |
trasraamkalk:
trasrāmkalǝk (L270p Tegelen)
|
Cementsoort die wordt verkregen door het mengen en malen van portlandcement en tras in de verhouding 30% tras en 70% cement of 40% tras en 60% cement. Tras is een gesteente van vulcanische oorsprong. Het wordt onder meer aangetroffen in het Eifelgebergte. Volgens de invuller uit L 330 verkrijgt men uit trascement een sterke specie die waterbestendig is. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(cement)' het lemma 'Cement'. [N 30, 35b; monogr.]
II-9
|
| 32619 |
trechter op de gierton |
trechter:
trɛxtǝr (L270p Tegelen)
|
In het spongat van de oude houten gierton werd een trechter geplaatst. Langs deze trechter goot men de gier met een emmer de ton in. Bij het vervoer van de gier werd de trechter vaak afgedekt met een oude jutezak. [N 18, 123; N 11A, 53c; JG 1a + 1b; monogr.]
I-1
|
| 19463 |
trede |
opstap:
opštap (L270p Tegelen),
opstaptrede:
opštaptręi̯t (L270p Tegelen),
optrede:
optrɛ̄i̯ (L270p Tegelen),
trede:
trē̜i̯ (L270p Tegelen)
|
De ijzeren opstapper die bij de huifkar aan een van de berries is opgehangen. Bij het rijtuig maakt de trede deel uit van de bak. [N 17, 39; N G, 59d; monogr.]
I-13
|
| 28912 |
treeft |
treeftje:
trēfkǝ (L270p Tegelen)
|
Rooster om een heet ijzer op te zetten. De informant van Q 83 gebruikt als onderzetter meestal een (schoen)zool. Zie afb. 18. [N 59, 22]
II-7
|