| 24258 |
tuinfluiter |
heggenmusje:
heggəmöskə (L270p Tegelen),
taats:
taats (L270p Tegelen)
|
Hoe heet de tuinfluiter? [DC 06 (1938)] || tuinfluiter
III-4-1
|
| 33615 |
tuinman, boomkweker |
boomkweker:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
boͅu̯mkwekər (L270p Tegelen)
|
[RND 10]
I-7
|
| 30188 |
tuinmuur |
vakmuur:
vakmūr (L270p Tegelen),
vlechtmuur:
vlɛxmūr (L270p Tegelen)
|
Uit horizontale en verticale balken samengestelde wand die is opgevuld met vlechtwerk en vervolgens is afgesmeerd met leemspecie. In plaats van vlechtwerk kunnen ook bakstenen worden gebruikt. [S 42; N 4A, 53f; N F, 56b; N 31, 45a; monogr.; N 4A, 52f; N 4A, 52d]
II-9
|
| 18710 |
tuinwant |
werkhaas:
wèrkhaasse (L270p Tegelen),
wêrk-haasse (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
wanten, dikke, vaak leren ~, om in doornheggen te werken [tuunen, tuinheisje, döörheusje] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 19512 |
tuit |
fluitje:
fluitje (L270p Tegelen),
tuit:
toe⁄t (L270p Tegelen),
tuit (L270p Tegelen),
tèùt (L270p Tegelen),
tø͂ͅt (L270p Tegelen),
(Hors d\'oeuvre)
toeut (L270p Tegelen)
|
tuit || tuit van de waterketel van koper of ijzer en met hengsel en tuit [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 29577 |
tuitpot |
tuitpot:
tūtpǫt (L270p Tegelen)
|
Pot met tuit van aardewerk zonder deksel. In L 270 kende men potten met een inhoud van 7 √† 8 liter (2 kwārts) en 4 liter (kwārts). [monogr.]
II-8
|
| 20746 |
tulband |
cake:
Syst. WBD
kee‧k (L270p Tegelen),
tulband:
Syst. WBD
tulband (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
tulbank (L270p Tegelen),
turkse muts:
Syst. Veldeke
törkse muts (L270p Tegelen),
törksemöts (L270p Tegelen)
|
Tulband (redong, bont, bontekoek, turkse muts, sultan?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34604 |
turfhekken |
horten:
hōrtǝ (L270p Tegelen),
turfleier:
(mv)
tø̜rflęi̯ǝrs (L270p Tegelen)
|
Aparte hekken die voor, achter en opzij op de kar gezet worden om turf te vervoeren. Aanvulling van de lemmata voorhek op de kar en achterhek op de kar in wld II.4. [N 17, 72a + c]
I-13
|
| 28940 |
tussenbeenlengte - bij broeken |
schredelengte:
šretleŋtǝ (L270p Tegelen)
|
Maat genomen van het kruis tot de grond. Zie afb. 29. [N 59, 47b]
II-7
|
| 34204 |
tussenklauwontsteking |
scheurklauw:
šø̄rklau̯w (L270p Tegelen)
|
Door het binnendringen van scherpe voorwerpen zoals spijkers, stenen of strohalmen tussen de klauwen van een koe kunnen kleine wondjes ontstaan. Door infectie kan een pijnlijke zwelling ontstaan, waardoor de klauwen van elkaar kunnen worden gewrongen. Tussenklauwontsteking is vaak een naziekte van mond- en klauwzeer. Zie ook het lemma ''tussenklauwontsteking'' in wbd I.3, blz. 482-483. [N 3A, 81; N 52, 10; A 48A, 14]
I-11
|