| 21784 |
vloek |
vloek:
vlook (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
een vloek [hiemmeltsakker] [N 96D (1990)] || Een vloek [hiemmeltsakker]. [N 96D (1989)]
III-3-1, III-3-3
|
| 21395 |
vloeken |
vloeken:
vlooke (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
vloeken [N 96D (1990)] || Vloeken. [N 96D (1989)]
III-3-1, III-3-3
|
| 23962 |
vloekje |
vloekje:
vlookske (L270p Tegelen)
|
Een vloekje [vluukse]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 30006 |
vloermortel |
cementvloerspijs:
sǝmɛnt˲vlūršpijs (L270p Tegelen),
vloerspijs:
flūr[spijs] (L270p Tegelen)
|
Mortel voor het leggen van een gladde vloerlaag. Volgens de invuller uit Q 83 werd de 'chape' ('šap') samengesteld uit 'Rijnzavel' ('ręjnzǭvǝl') en 'cement' ('sǝm'nt'). Wanneer de vloer met parket belegd moest worden werd er kurk door de mortel gemengd. Daardoor kon er later beter in de vloer gespijkerd worden. Ook in P 176 werd vloermortel aangemaakt met 'Rijnzavel' ('rē̜nzǭvǝl') en 'pure cement' ('pȳrǝ sǝm'nt'). In L 318b werd een gestorte cementvloer 'de dek' ('dǝn dęk') genoemd. In Q 111 en Q 113 bestond een betonnen vloer uit twee lagen. De gladde bovenlaag, de 'fijne schicht' ('fīn šix') werd met cementmortel gemaakt. De term 'schuurspijs' werd in Q 19 zowel gebruikt voor mortel voor het afwerken van muren als van vloeren. Wanneer het de afwerking van een muur betrof werd de mortel opgeschuurd met een houten 'plets' ('pl'tš'), terwijl de vloer met een stalen 'gletter' ('gl'tǝr') gelijk gemaakt werd. Zo'n 'gletter' voor de vloer was soms een meter lang. 'Schuurspijs' werd verwerkt door de stucadoor. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '-(spijs)', '-(specie)', etc. het lemma 'Mortel'. [N 30, 38f; monogr.]
II-9
|
| 30127 |
vloerplanken |
vloerpanken:
vlūrplɛŋk (L270p Tegelen)
|
De van messing en groef voorziene planken waarmee een houten vloer gelegd wordt. Zie ook het lemma 'Houten vloer'. [N 32, 21b; monogr.]
II-9
|
| 19702 |
vloertegel |
plavuis:
pləvy(3)̄s (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
een grote rode of blauwe vloertegel [N 05A (1964)] || vloertegel, inz. de vroeger algemeen gebruikte rode en blauwe plavuizen
III-2-1
|
| 19277 |
vlug |
hel:
hél (L270p Tegelen),
vlot:
flot (L270p Tegelen)
|
vlug: (moet je nu al weg?) Ja, ik zal moeten voortmaken om op tijd thuis te zijn; zo - loop ik niet meer [DC 39 (1965)]
III-1-4
|
| 17937 |
vlug lopen |
de hakken laten zien:
dae leet m de hakke kieke (L270p Tegelen),
hel lopen:
hel loupe (L270p Tegelen),
vegen:
vèège (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || lopen: snel lopen [rekke, dabbere, op ne steile gaon] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34016 |
vlugger |
allez:
alē (L270p Tegelen),
hot-hot:
hǫt hǫt (L270p Tegelen)
|
Voermansroep om het paard sneller te doen gaan. [N 8, 95g]
I-10
|
| 33867 |
vocht afscheiden |
leken:
lēkǝ (L270p Tegelen),
vemen:
vē̜mǝ (L270p Tegelen)
|
[N 8, 45, 46 en 48]
I-9
|