| 25401 |
de huid oprollen |
vouwen en oprollen:
vājǝ ɛn ǫprǫlǝ (L270p Tegelen)
|
Na het afhuiden wordt de runderhuid opgerold of opgevouwen. Van tevoren vouwt men de huid van de poten en de kop naar binnen. Soms zout men de huid om bederf te voorkomen. [N 28, 55]
II-1
|
| 23733 |
de huiszegen bidden |
huiszegen beden:
hoeeszege beeje (L270p Tegelen)
|
De Huiszegen bidden. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23594 |
de kaarsen aansteken |
aanmaken:
kerse aanmake (L270p Tegelen),
aansteken:
kerse aansjteeke (L270p Tegelen)
|
De kaarsen aansteken [aanstèèke, aanstaoke?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23599 |
de kaarsen doven |
uitmaken:
oetmake (L270p Tegelen)
|
De kaarsen doven, uitmaken, uitdoen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30052 |
de kelder uitgraven |
(de) kelder uitschachten:
dǝ kɛldǝr u.tšaxtǝ (L270p Tegelen),
(de) kelder uitsmijten:
dǝ kɛldǝr u.tšmītǝ (L270p Tegelen)
|
De kelderruimte van het bouwwerk met behulp van de steekschop uitgraven. [N 30, 25b; monogr.]
II-9
|
| 23697 |
de kerkgang maken |
de kerkgang doen:
kerkgank doon (L270p Tegelen)
|
De kerkgang doen/maken. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 32288 |
de kim kappen |
de snijkant omsnijden:
dǝ šnikaŋk ø̜mšnijǝ (L270p Tegelen),
de snijkant schuinsnijden:
dǝ šnikaŋk šȳnšnijǝ (L270p Tegelen)
|
Met behulp van een dissel een kim kappen. [N E, 33; N E, 32b]
II-12
|
| 29436 |
de klei laten rotten |
laten rotten:
lǭtǝ rotǝ (L270p Tegelen),
laten verweren:
lǭtǝ vǝrwē̜rǝ (L270p Tegelen),
weken:
węjkǝ (L270p Tegelen
[(de klei in de leemkuil onder water zetten)]
)
|
Gedolven klei een aantal maanden laten liggen zodat de organische stoffen erin kunnen vergaan. In L 163 liet men de klei daartoe ook stukvriezen. [N 49, 5; N 49, 6]
II-8
|
| 29846 |
de kleiwand afsteken |
afsteken:
āfštē̜kǝ (L270p Tegelen)
|
De wand van de kleikuil afsteken. [monogr.]
II-8
|
| 29621 |
de kleiwand uithollen |
uitheulen:
ūthø̄̄lǝ (L270p Tegelen),
uithollen:
ūthø̜lǝ (L270p Tegelen)
|
De wand van de kleikuil uithollen. [monogr.] || De wand van de kleiput uithollen. Het uitscharen werd in Q 83 met de hak gedaan. [N 98, 29; monogr.]
II-8
|