e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tessenderlo

Overzicht

Gevonden: 5328
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
appel, algemeen appel: appel (Tessenderlo, ... ), appəl (Tessenderlo, ... ), àpəl (Tessenderlo, ... ) [ZND 01 (1922)] [ZND 26 (1937)] I-7
appelbol appelkoek: appelkoek (Tessenderlo), oogstkoek: austkoek (Tessenderlo), oostkok (Tessenderlo) appel in deeg gedraaid en in de oven gebakken [ZND 32 (1939)] III-2-3
appelmoes appelgelei: appelgelaai (Tessenderlo), appelspijs: appelspijs (Tessenderlo) appelmoes [ZND 32 (1939)] III-2-3
appeltaartje appelbeignet: appelboujé (Tessenderlo), appelkoek: appelkoek (Tessenderlo) een klein appeltaartje, in de vorm van een halve maan [ZND 32 (1939)] III-2-3
architraaf binnenbekleedsels: benǝbǝklɛtsǝls (Tessenderlo) Zie kaart. Omlijsting van een raam- of deurkozijn, doorgaans in de vorm van een geprofileerde lat. In de eenvoudigste vorm bestaat de architraaf uit een koplat die op het kozijn wordt gespijkerd. Meestal wordt er echter een platstuk aan toegevoegd dat met de koplat een geheel kan uitmaken of ook wel afzonderlijk met een sponning in de koplat wordt gewerkt. Wanneer de architraaf breder is dan het kozijnhout, worden in de muur architraafklossen gemetseld waartegen de architraaf kan worden vastgezet. [N 55, 20; N 55, 145; monogr.] II-9
architraafspijker chambranle-nagel: šambrãntnǭgǝl (Tessenderlo) Spijker met verloren kop waarmee de omlijsting van een deur- of raamkozijn wordt vastgezet. Zie ook het lemma ɛarchitraafɛ in wld II.9, pag. 116. Volgens de respondenten uit Stein (Q 15), Bilzen (Q 83) en Mechelen (Q 204a) hadden latnagels nummer 18/14; ze waren dan dus 1.5 duim (3.5 tot 4 cm) lang.' [N 54, 16c] II-12
aren lezen aren rapen: ǫǝrǝ rǭpǝ (Tessenderlo), oogsten: uǝstǝ (Tessenderlo), øxstǝn (Tessenderlo), ø̜stǝ (Tessenderlo) Het oprapen en verzamelen van de achtergebleven aren op het veld. Het was vroeger gewoonte de aren die op het pasgemaaide en geoogste veld achterbleven, te laten liggen, zodat behoeftigen deze konden verzamelen. Het was een vorm van armenzorg. [N 15, 35; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 39, 40; Lu 3, 6; R [s], 31; R 3, 68; monogr.; add. uit A 23, 16.2] I-4
arend van de zeis ang: ãŋ (Tessenderlo), %%de volgende twee vormen hebben een aangehecht lidwoord%%  dãŋ (Tessenderlo) Het blad van de zeis loopt aan de zijde waar het met de steel verbonden is uit in een smal, vaak extra verstevigd, stukje staal, de arend, dat tegen de steel van de zeis aanligt en door middel van de zeisring daaraan wordt vastgemaakt. Aan het uiteinde is de arend voorzien van een nokje dat in een gat in de steel wordt gestoken of geslagen; soms zijn er twee dergelijke nokjes (vergelijk het woordtype dobbelang). Voor de hoek die de arend met het zeisblad maakt, en het belang hiervan voor een goede "voering" van de zeis, zie de algemene toelichting bij deze paragraaf. Zie afbeelding 5, nummer 1. [N 18, 68a; JG 1a, 1b; A 4, 28c; A 14, 1; L 20, 28c; L 45, 1; monogr.] I-3
arend van een vijl pin: pen (Tessenderlo) Het spits uitlopende deel van de vijl dat in het handvat wordt gestoken. Zie ook het lemma "vijlhandvat". Zie ook afb. 97. [N 33, 104; N 33, 203] II-11
arm arm: ɛrǝm (Tessenderlo) Zie de toelichting bij het lemma ɛarm liggenɛ.' [N O, 34j; Vds 193; Jan 198; Coe 169] II-3