| 29886 |
inzetten |
inzetten:
enzɛtǝ (L374p Thorn)
|
De gedroogde pannen in de oven opstapelen. [monogr.]
II-8
|
| 29751 |
inzetter |
inzetter:
enzɛtǝr (L374p Thorn)
|
De arbeider die de gedroogde pannen in de oven plaatste en ze op de juiste wijze rangschikte. In L 270 was de inzetter meestal tevens stoker. [monogr.]
II-8
|
| 17593 |
iris |
appel (van het oog):
appel van t aug (L374p Thorn),
iris:
iris (L374p Thorn)
|
Iris: het gekleurde gedeelte van het oog waarin zich de pupil bevindt. [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 21915 |
jaarduif |
jarige, een ~:
Algemene opmerkingen bij deze vragenlijst:
ein jäorige (L374p Thorn)
|
een jonge duif van één jaar? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 23514 |
jaargetijde |
jaardienst:
jaordeenst (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
Een mis op de verjaardag van iemands overlijden, jaardienst, jaargetijde, jaargedachtenis [jörgentij, joaërgedechnis?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21851 |
jaarmarkt |
jaarmarkt:
jaormert (L374p Thorn),
jaormèrt (L374p Thorn)
|
de markt die elk jaar op een vaste tijd wordt gehouden [foor, jaarmarkt] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 34074 |
jaarring |
ring:
reŋ (L374p Thorn)
|
Jaarlijkse ringvormige verdikking aan de hoorns. [N 3A, 106b]
I-11
|
| 18705 |
jacquetjak |
jacquet (<fr.):
sjaket (L374p Thorn)
|
jak in jacquetvorm [seketjek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18566 |
jacquetpak |
jacquet (<fr.):
sjakket (L374p Thorn)
|
jacquetkostuum, bestaande uit zwarte slipjas, vest en gestreepte broek [sjeket, seket] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 21181 |
jagen |
jagen:
jage (L374p Thorn)
|
voorttrekken van een trekschuit [jagen] [N 90 (1982)]
III-3-1
|