| 19326 |
koppig zijn |
bokken:
bokke (L374p Thorn)
|
koppig zijn, steeds vasthoudend aan eigen wil of inzicht [bokken, koppen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 26164 |
kopspie |
spieën/spijen:
spijǝ (L374p Thorn)
|
De wiggen waarmee de roeden aan de voorzijde in de askop worden vastgezet. [N O, 3c; A 42A, 77]
II-3
|
| 34220 |
koptouw |
kopzeel:
(mv)
kǫpzɛi̯lǝ (L374p Thorn),
zeel:
(mv)
zɛi̯lǝ (L374p Thorn)
|
Touw aan de horens van een koe. [N 3A, 14a]
I-11
|
| 24351 |
kopvoorn |
maan:
WLD
moan (L374p Thorn),
mulder:
ideosyncr.
mulder (L374p Thorn)
|
Hoe noemt u de kopvoorn: komt vooral voor in stromend water. Hij heeft een grote bek, is slank gebouwd met een afgeronde aarsvin. Hij wordt tot 60cm lang (meem, molenaar, mulder, vingel) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20109 |
korenbloem |
blauwbloem:
blau̯blōm (L374p Thorn),
-
blauwbloom (L374p Thorn)
|
Centaurea Cyanus L. Een niet meer zo algemeen voorkomende plant met blauwe bloemen, een spinselachtig behaarde stengel en dunne lancetvormige bladeren, die groeit in korenvelden, op zandgronden en in bermen. De plant bloeit van juni tot augustus en varieert in hoogte van 30 tot 60 cm. [A 13, 14; L 34, 31; monogr.; add. uit JG 1b] || korenbloem [DC 13 (1945)]
I-5, III-4-3
|
| 33092 |
korenmijt zetten |
zetten:
zętǝ (L374p Thorn)
|
Het maken van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Het object van de overgankelijke werkwoorden is steeds: een korenmijt, of, kortweg, koren. [N 15, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 32536 |
korf |
korf:
kø̜rǝf (L374p Thorn)
|
In het algemeen een uit wissen gevlochten en van een hengsel voorziene mand. Zie ook afb. 284. [N 20, 53; N 40, 37; monogr.]
II-12
|
| 24194 |
korhoen |
korhoen:
korhoon (L374p Thorn)
|
korhoen (53 vrij zeldzame heidevogel; haan staalblauw, hen bruin en kleiner; houdt in het voorjaar pronkbijeenkomsten op een open plek op de hei [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
konkernoelje:
kònkernoelie (L374p Thorn),
WLD
kőőnkernōēlie (L374p Thorn)
|
De kornoelje. Gele kornoelje me gele bloemen en karmijnrode vruchten, 3-7 m hoog; de geelbruine schors schilfert in kleine schubben af. [N 82 (1981)] || kornoelje [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 25286 |
korrel, maat van 0,1 gram |
korrel:
korrel (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
de maat die een gewicht aangeeft van 0,1 gram [korrel] [N 91 (1982)]
III-4-4
|