| 20658 |
kruiden, specerijen |
gekruiden:
ideosyncr.
gekruuje (L374p Thorn),
kruiden:
WLD
kruuje (L374p Thorn)
|
De kruiden die bij de bereiding bij groente of vlees gevoegd worden om de smaak van het gerecht te verbeteren, in het algemeen (kruid, toekruid, specerij). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 21560 |
kruidenier |
kruidenier:
kruideneer (L374p Thorn),
kruudeneer (L374p Thorn)
|
een winkelier, kleine handelaar in koffie, thee, rijst, meel, zout, zeep, gedroogde vruchten, specerijen enz. [kruidenier, epicier, komenij] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 20587 |
kruidenjenever |
muskus:
muskus (L374p Thorn)
|
kruidenjenever; Hoe noemt U: Jenever met kruiden (pop) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20055 |
kruidje-roer-me-niet |
kruidje-roer-me-niet:
idiosyncr.
kruudje reur me neet (L374p Thorn)
|
Kruidje-roer-me-niet (Mimosa pudica L.) [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 20805 |
kruidnagel |
kruidnagel:
kroetnêgel (L374p Thorn)
|
kruidnagel [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 22580 |
kruidwis |
kruidwis:
kroedwèès (L374p Thorn),
kroetwès (L374p Thorn),
(e van est Fr.).
kroewtwes (L374p Thorn)
|
De bos kruiden die op 15 augustus gewijd werd, de kruidwis [krüdwis, kroetwusj]. [N 96C (1989)] || kruidwis [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 22701 |
kruidwis wijden |
kruidwis zengelen:
zaengele kroetwès (L374p Thorn)
|
De wijding van de kruiden op 15 augustus [der kroetwusj zeëne]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 26082 |
kruien |
kruien:
kryi̯ǝ (L374p Thorn),
kryjǝ (L374p Thorn),
schurgen:
šørǝgǝ (L374p Thorn),
varen:
vārǝ (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
De gedolven klei met behulp van een kruiwagen vervoeren. [monogr.] || De molen of molenkap draaien met als doel de wiekenas in de windrichting te plaatsen. [N O, 30i; N O, 30k; A 42A, 56; monogr.] || Een last met de kruiwagen vervoeren. [N 18, 100 add; Wi 33; S 19; L 29, 4; L 1a-m; RND 97; A 42, 13 add + 16 add; monogr.]
I-13, II-3, II-8
|
| 19581 |
kruik |
kruik:
kroek (L374p Thorn),
spaaikannetje:
waarin iets te drinken bij de arbeid
spaaikenke (L374p Thorn)
|
kruik [SGV (1914)] || kruik, metalen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 26079 |
kruiketting, kruitouw |
kruiketting:
kryjkęteŋ (L374p Thorn),
loopketting:
lǫwpkęteŋ (L374p Thorn)
|
De op de kruias bevestigde ketting waarmee de molen of de molenkap wordt verplaatst. In l 289 en l 377 gebruikte men daartoe geen ketting maar een touw, in l 316 een kabel. [N O, 30b; N O, 30c; N O, 30d; A 42A, 57; monogr.]
II-3
|