| 18019 |
kuchen |
kuchen:
kegge (L374p Thorn),
kŏŏche (L374p Thorn),
kuche (L374p Thorn),
kugge (L374p Thorn),
kòche (L374p Thorn)
|
hoesten [keche, kechelen] [N 10a (1961)] || kuchen [SGV (1914)] || Kuchen: kort en droog hoesten (kuchen, kochelen, krochen, krochelelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 34299 |
kudde volwassen varkens |
klocht:
kloxt (L374p Thorn),
troep:
trup (L374p Thorn)
|
In dit lemma zijn de benamingen voor "kudde dieren" in het algemeen en "kudde varkens" in het bijzonder opgenomen. Zowel in de "Amsterdamse" als "Leuvense" vragenlijsten was gevraagd naar "kudde dieren". Dieren konden varkens, schapen, koeien, ganzen zijn. De antwoorden die betrekking hadden op specifiek "kudde schapen", "kudde ganzen" zijn bij het hoofdstuk schapen, ganzen ondergebracht. [N 76, 2; A 4, 18; L 4, 18; L 20, 18; monogr.]
I-12
|
| 17582 |
kuif |
kuif:
kuuf (L374p Thorn),
kóf (L374p Thorn)
|
kuif [N 10 (1961)] || kuif: de opstaande vederbos boven op de kop van een vogel (kuif, rap, tuil) [N 83 (1981)]
III-1-1, III-4-1
|
| 24199 |
kuifleeuwerik |
rusleeuwerik:
rusleeuwerik (L374p Thorn),
rusliewerk:
in gevangenschap strijkt hij zijn kuifje en is totaal verdwenen
ruslieewerk (L374p Thorn)
|
Hoe heet de kuifleeuwerik? [DC 06 (1938)] || leeuwerik: kuifleeuwerik (17 overal op open plekken bij woningen aan buitenrand van dorp en stad; puntkuifje; trekt niet; totaal niet schuw; roep [tie-rie-rieuw]; nogal zachte zang [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24200 |
kuifmees |
kuifmees:
kuufmees (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
kuifmees || kuifmees (11,5 grijze kop met kuifje; alleen in mast- en sparrenbossen; nest vaak in oud eekhoornnest; roep [bi-bi-bi-brr-brr-brr]; zang heel zacht en miesperend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 34475 |
kuiken |
kuiken:
kȳkǝn (L374p Thorn)
|
Jong van een kip. [A 6, 1d; Wi 4; RND 1; L 6, 20a; L 42, 32; JG 1a, 1b, 2c; S 14; Gwn 5, 15; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 17606 |
kuiltje (in de kin / wangen) |
kuiltje:
kuulke (L374p Thorn),
kuulke inne wang (L374p Thorn),
kŭŭlke (L374p Thorn)
|
Een dergelijk deukje in de kin? [DC 21 (1952)] || Kuiltje in de wang: een kuiltje in de wang, bijv. als men lacht (putje). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 32341 |
kuip |
kuip:
kȳp (L374p Thorn)
|
In het algemeen een wijd vat, meestal van hout, van boven open en daar ook iets wijder dan aan de onderzijde. [N E, L; S 19; L 1a-m; L 17, 18a; monogr.]
II-12
|
| 26496 |
kuipband |
band:
bantj (L374p Thorn)
|
De ijzeren band om de steenkuip heen. [N O, 19d]
II-3
|
| 26497 |
kuipdeksel |
kuipdek:
kuipdek (L374p Thorn)
|
Het uit twee halve cirkels bestaande deksel van de steenkuip. In Q 240 was de kuip half open. Er lag een plankje met half maantje op (Coenen, pag. 115). Zie ook het lemma ɛhalf kuipdekselɛ.' [N O, 19e; Vds 146; Jan 153; Coe 134; Grof 155; A 42A, 36 add.]
II-3
|