| 19632 |
kussensloop |
kustijk:
køͅstēk (L374p Thorn)
|
kussensloop [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 18869 |
kwaad weglopen |
kwaad weglopen:
kwaod wegloupe (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
kwaad weglopen [horsen, hoorsen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33842 |
kwaadaardig roepen |
kweken:
kwēkǝ (L374p Thorn)
|
[N 8, 47 en 67]
I-9
|
| 34404 |
kwaadaardig schaap |
kwaad schaap:
kwǭt šǭp (L374p Thorn)
|
[N 77, 20]
I-12
|
| 19314 |
kwaadspreekster |
feeks:
feeks (L374p Thorn),
roddelaarster:
roddelièrster (L374p Thorn)
|
een vrouw die graag kwaad spreekt [kwadetong, vuiletong, kommeer, blameer, klapei] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18981 |
kwaadspreker |
lasteraar:
lasteraer (L374p Thorn),
roddelaar:
roddelièr (L374p Thorn)
|
iemand die altijd kwaad spreekt van anderen [insteker] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17983 |
kwaal |
kwaal:
kwaol (L374p Thorn, ...
L374p Thorn,
L374p Thorn)
|
kwaal [DC 02 (1932)] || Kwaal: langdurige of telkens terugkerende ziekte (kwaal, klets, muik). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24366 |
kwabaal en puitaal |
aalskuit:
?
holskoet (L374p Thorn)
|
puitaal (kwabaal) [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 21727 |
kwajongensstreek |
bak:
Van Dale: II. bak, 4. (gemeenz.) grap, mop, poets.
bak (L374p Thorn)
|
min of meer onschuldige kindergrap [bate(n), bake(n)] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24341 |
kwaken |
kwaken:
kwākǝ (L374p Thorn),
ideosyncr.
kwake (L374p Thorn),
WLD
kwaake (L374p Thorn)
|
Het geluid dat de koninginnen maken net vóór ze uit de cel komen. Waarschijnlijk luistert de jonge, nog niet uitgelopen moer, of zij antwoord van een mogelijke mededingster krijgt op dit gekwaak. Als dit niet het geval is, kan ze de moercel verlaten. [N 63, 32a; N 63, 33a; Ge 37, 43] || Hoe noemt u een kwakend geluid maken, gezegd van kikkers (kwaken) [N 83 (1981)]
II-6, III-4-2
|