| 20953 |
leeg, gezegd van een noot |
doof:
ideosyncr.
douf (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
leeg:
WLD
léég (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
leeg, gezegd van een noot waar niets in zit (leeg, doof, loos). [N 82 (1981)]
I-7, III-2-3
|
| 24973 |
leeg, niets bevattend |
leeg:
laeg (L374p Thorn),
lèèg (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
Opm.: Eng. hair.
laig (L374p Thorn),
verlaten (ruimte):
verlaote (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
leeg (ijdel, ijl, laas) [DC 03 (1934)] || niets bevattende, gezegd van bijv. een fles, een kan, een kopje, een vertrek etc. [leeg, ijdel, ijl] [N 91 (1982)] || waar niemand aanwezig is, leeg [wepel, verlaten] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18920 |
leegloper |
leegloper:
laegluiper (L374p Thorn),
lèègluiper (L374p Thorn)
|
een persoon die zonder iets te verrichten en zonder bezigheden rondloopt [leuteraar, leegloper] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19365 |
leep, doortrapt |
doortrapt:
doortrapjt (L374p Thorn),
doortraptj (L374p Thorn),
glad:
glāāt (L374p Thorn)
|
een doortrapte kerel [fijnaard, fijne, leperd] [N 85 (1981)] || zeer bedreven in het kwaad of in het kwaaddoen en daarbij zeer sluw [slim, glad, hel, leep, doortrapt] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21593 |
leerling |
leerling:
leerling (L374p Thorn),
lîerling (L374p Thorn)
|
de persoon [meestal een kind] dat onderwijs krijgt [leerder, leer] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 30796 |
leerlooier |
leerlooier:
lę̄rlȳǝjǝr (L374p Thorn)
|
Persoon die huiden bereidt tot leer door looiing. [S 22; monogr.]
II-10
|
| 23613 |
leerrede |
leerrede:
lieerreede (L374p Thorn)
|
Een leerrede, een tekstverklarende preek, homilie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 31158 |
leertang |
dobbeltang:
dǫbǝltaŋ (L374p Thorn)
|
Tang met getande uiteinden waarin men een stuk leer kan vasthouden tijdens verschillende bewerkingen. [N 36, 37]
II-10
|
| 27706 |
leesjongen |
leesjong:
lę̄sjoŋ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Jongen die bovengronds de stenen raapt uit via een transportband aangevoerde kolen. De afkorting O.V.S. uit de opgave "o.v.s.-er" (L 433, Q 121c) staat voor Ondergrondse Vakschool. [N 95, 155; monogr.]
II-5
|
| 30861 |
leest |
leest:
lęjst (L374p Thorn)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|