| 17656 |
lidmaat, ledematen |
lidmaat, ledematen:
lidmaat (L374p Thorn)
|
ledematen, lidmaat [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 22750 |
lied, liedje |
liedje:
le.tjə (L374p Thorn)
|
liedje [RND]
III-3-2
|
| 19061 |
liefde |
<ww.> gehecht zijn aan:
gehegt zeen aan (L374p Thorn),
hart:
(voor de zaak).
hart (L374p Thorn),
liefde:
(voor personen).
leefdje (L374p Thorn)
|
warme genegenheid of gehechtheid aan een persoon of zaak [liefde, hart] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 18881 |
liefkozen |
aaien:
aaie (L374p Thorn),
knuffelen:
knuffele (L374p Thorn),
strelen:
streêle (L374p Thorn)
|
liefkozen [SGV (1914)] || zijn liefde of genegenheid kenbaar maken door iemand te strelen of aan te halen [koekelen, fikfakken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19085 |
liegen |
liegen:
leege (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
lēēge (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
bewust onwaarheden vertellen [leugen, liegen, leugenen, floersen, gekken] [N 85 (1981)] || onwaarheden vertellen [beuzelen, gekken, jokken, leugen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 17647 |
lies |
dun, de -:
dunne (L374p Thorn),
lies:
lees (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
lies [SGV (1914)] || lies, liezen [den dunne, lieze, lieses] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24343 |
lieveheersbeestje |
lieveherekuikje:
leevenheerekuukske (L374p Thorn)
|
lieveheersbeestje [Roukens 03 (1937)]
III-4-2
|
| 24568 |
lievevrouwebedstro |
bedstro:
idiosyncr.
bèdstüə (L374p Thorn),
onzelievevrouwebedstro:
oos lēvevrouwebètstruû (L374p Thorn),
WLD (verkortingsboogje boven \\ )
onze lieve vrouwe bedstreuə (L374p Thorn)
|
onzelievevrouwebedstro [SGV (1914)] || Onzelievevrouwebedstro (asperula odorata 10 tot 30 cm groot. De stengels zijn glad, de bladeren staan in kransen van 6 tot 8 lancet- tot spatelvormige bladeren, ze zijn vrij breed en puntig, de bladrand is meestal wat ruw; de bloemen staan in lang geste [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 17816 |
liggen |
liggen:
(zachte k)
ligge (L374p Thorn)
|
liggen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 33474 |
liggend dakvenster |
dakvenstertje:
dāk˲venstǝrkǝ (L374p Thorn)
|
Een dakvenster is een liggend raampje op het dak dat meestal geopend kan worden en dat dient ter belichting en beluchting van de zolder, ook wel als toegang tot het dak bij bijv. reparaties of om door naar buiten te kijken. Het is meestal te klein om hooi door te laten, maar grotere vensters kunnen wel daartoe dienen (zie het lemma "hooivenster", 3.4.5). [N 4A, 45c; monogr.]
I-6
|