| 25264 |
maatje, maat van 0,1 liter |
maatje:
(vloeistof).
meutje (L374p Thorn)
|
de maat die een inhoud aangeeft van 0,1 liter [maatje] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 27147 |
magazijn |
magazijn:
magazīn (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits]),
magǝzīn (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Eisden])
|
Algemene benaming voor een ondergronds of bovengronds magazijn. Het woordtype "catrîye" is specifiek van toepassing op een ondergronds magazijn. [N 95, 9; Vwo 492; Vwo 222; monogr.]
II-5
|
| 27248 |
magazijnmeester |
magazijnmeester:
magǝzinmęjstǝr (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Opziener over hetgeen in een magazijn boven- en ondergronds voorhanden is. Het woordtype "chef-catrîye" is specifiek van toepassing op de magazijnmeester van een ondergronds magazijn (Vanwonterghem pag. 90). [N 95, 160; Vwo 231; monogr.]
II-5
|
| 17554 |
mager |
mager:
mager (L374p Thorn),
schamel:
sjéémel (L374p Thorn),
schraal:
sjraol (L374p Thorn, ...
L374p Thorn,
L374p Thorn)
|
mager [schrepel, schraal] [N 10 (1961)] || mager; Hoe noemt U: Mager, niet vet, gezegd van voedsel (schraal, schrekel) [N 80 (1980)]
III-1-1, III-2-3
|
| 17555 |
mager worden |
afslanken:
aafslanke (L374p Thorn),
afvallen:
aafvalle (L374p Thorn),
mager worden:
mager waere (L374p Thorn)
|
Mager worden: in omvang en gewicht afnemen (afslekkeren, krimpen, slinken). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 34127 |
magere koe |
schrakel:
sxrǭkǝl (L374p Thorn)
|
[N 3A, 147a]
I-11
|
| 28395 |
magere kool |
magere kolen:
māgǝrǝ koalǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Laura, Julia])
|
Steenkool met tien tot veertien procent vluchtige bestanddelen. [N 95, 460; monogr.]
II-5
|
| 32984 |
mais |
maïs:
męi̯s (L374p Thorn)
|
Zea mays L. Hoogopschietende graansoort met bloeikolven. Vroeger (in Q 14 wordt gepreciseerd: "vóór 1915") alleen als kippevoer bekend; maar de laatste decennia hoe langer hoe meer geteeld als veevoeder. Maïs wordt tegenwoordig op rijen gezet met een afstand van ongeveer 50 cm. Turkentarwe (naar de vreemde herkomst) was de oude en vrij algemene Zuidnederlandse benaming die door het veel kortere maïs verdrongen werd. Het type korentjestarwe, lett. "korreltjes-tarwe", dial. ''kurkentarwe'', is wel een volksetymologie van turkentarwe; in de veelvuldig voorkomende doubletten verschilt alleen de eerste medeklinker. De Vorsense opgave pǝtruk komt uit het Waalse peûs d''trouc'' (pois de Turc), "erwt uit Turkije". Zie afbeelding 1, g.' [N P, 22; JG 1a, 1b; L lijst graangewassen, 4; monogr.; add. uit N 15, 1b]
I-4
|
| 33025 |
mais oogsten |
plukken:
plø̜kǝ (L374p Thorn)
|
De maïskolven van de planten aftrekken. Het object van de handeling is steeds maïs -vergelijk het lemma ''mais'', 1.2.12- of maïskolven -vergelijk het lemma ''maiskolf'', 1.3.9-.' [N Q, 21; monogr.]
I-4
|
| 32994 |
maiskolf |
kolf:
kǫlǝf (L374p Thorn)
|
Het vruchtbeginsel van de maïsplant. In L 269a wordt het vrouwelijk vruchtbeginsel (kolf) anders benoemd dan het mannelijk beginsel (aar). Zie afbeelding 1, g, 1. [N Q, 20; monogr.]
I-4
|