| 20839 |
mosterd |
mosterd:
mostert (L374p Thorn)
|
mosterd [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 21263 |
motor |
moter:
mo.tər (L374p Thorn)
|
motor [RND]
III-3-1
|
| 28350 |
motorgoot |
aandrijfgoot:
āndrīfgø̄ǝt (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Emma, Hendrik, Wilhelmina])
|
Transportgoot waarop de beweging van de schudgootmotor wordt overgebracht. Een motorgoot is doorgaans een versterkte goot die aan de onderkant voorzien is van een zogenaamde slof met boutgaten. De slof dient om de verbinding met de motor tot stand te brengen. [N 95, 625; Vwo 3; Vwo 17; Vwo 84]
II-5
|
| 28347 |
motorraam |
motorraam:
motǝrrām (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
IJzeren raam waarop de motor van een schudgoot met bouten bevestigd kan worden. [N 95, 616]
II-5
|
| 25130 |
motregen, fijne regen |
beetje regen:
ei bitje rèngel (L374p Thorn),
motregen:
motraengel (L374p Thorn)
|
klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)] || motregen, stofregen [moef-, stief-, smook- naajersregen, stobber, mozel, mot, smies] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25100 |
motregenen, licht regenen |
motregenen:
motraigənə, het motraigəŋt (L374p Thorn),
neetselen:
neetsele (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
sprinkelen:
sprinkele (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
zemelen:
zeemele (L374p Thorn)
|
beginnen te motregenen [te stieven, stiefregenen, mozelen, smossen, riezelen, ziebelen, zauwelen, netelen, zéémelen] [N 22 (1963)] || lichtjes regenen [sprenkelen, siebelen, zeiveren] [N 22 (1963)] || motregen, het motregent (regen met heel fijne druppels). [DC 30 (1958)] || zeer weinig regenen, zodat de grond maar net nat is [spruikelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25664 |
mout |
mout:
mǭt (L374p Thorn)
|
Het op de eest of eestvloer gedroogde en eventueel geroosterde graan. Zie ook de semantische toelichting bij het lemma ''eesten''. [N 35, 20; L 1a-m; L 1u, 166; S 5; Jan 14d; monogr.]
II-2
|
| 18714 |
mouw met kanten plooisel |
mouw met pliss (fr.):
moew met plissee of rusj (L374p Thorn)
|
mouw met kanten plooisel [lobmouw] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 20598 |
muik |
mouting:
motting (L374p Thorn, ...
L374p Thorn,
L374p Thorn)
|
Kent u een woord voor een geheime bergplaats voor onrijp fruit? Vroeger legden de kinderen vruchten, vooral appels, die ze onrijp geplukt hadden, op een verborgen plekje in het hooi of stro om zacht te worden. Voorbeelden met woorden voor deze bergplaats [DC 31 (1959)] || mui; Hoe noemt U: (Geheime) bergplaats voor onrijp fruit (mui, ponk, bier, moele, loering, gielgoerde) [N 80 (1980)]
III-2-3
|