| 18042 |
negenoog |
negenoger:
negen-uiger (L374p Thorn),
negenoog:
nēgenoug (L374p Thorn),
nége aug (L374p Thorn)
|
negenoog, bloedzweer [SGV (1914)] || Negenoog: kwaadaardige steenpuist omgeven door andere steenpuisten die ineen vloeien (negenoog, negenoger, kwader). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17629 |
nek |
nek:
nak (L374p Thorn)
|
nek [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 17905 |
nemen, pakken |
nemen:
numme (L374p Thorn),
pakken:
pakke (L374p Thorn)
|
nemen [SGV (1914)] || pakken [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 24042 |
neomist |
neomist (<gr.):
neomist (L374p Thorn)
|
Een pas gewijde priester, Neomist. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 32853 |
nerf van de weide |
graszode:
[gras]zōi̯ (L374p Thorn)
|
Begroeide bovenlaag van wei- of hooiland; grasmat, graslaag. Zie ook de lemma''s ''nerf van de akker'' en ''groes'', ''met gras begroeide grond'' in de aflevering over de Landerijen. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. [N 14, 51; N 18, 12 add.; monogr.]
I-3
|
| 24717 |
nerf van een blad |
nerven:
ideosyncr.
nerve (L374p Thorn),
WLD
nerve (L374p Thorn)
|
De aders van een blad die als ribben zichtbaar zijn en uitgaan van de steel (nerf, rib). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 30801 |
nerfkant |
nerfkant:
nerfkant (L374p Thorn)
|
De kant van de huid waar het haar heeft gezeten. [N 60, 3a; N 60, 3c; N 36, 2a]
II-10
|
| 24215 |
nest |
nest:
nèst (L374p Thorn),
nèste (L374p Thorn),
nèster (L374p Thorn)
|
nest [SGV (1914)] || nesten (mv.) [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 24435 |
nest, hoeveelheid jongen |
nest:
ideosyncr.
nest (L374p Thorn),
WLD
nést (L374p Thorn)
|
Hoe noemt u de hoeveelheid jongen die een dier in één keer heeft (nest) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 34521 |
nestei |
nestei:
nęstęi̯ (L374p Thorn)
|
Een nestei is het ei dat men bij het wegnemen van de eieren van de kippen in het nest laat liggen, opdat er andere bij gelegd worden. Soms gebruikt men een ei van kalk, porcelein of gips, soms een vuil ei. [S 25; monogr.]
I-12
|