| 23342 |
halfvasten(zondag) |
halfvasten:
half vaste (L245b Tienray),
halfvaaste (L245b Tienray)
|
De vierde zondag van de vasten [haufvaste, halfvaste, körfkeszoondig]. [N 96C (1989)] || Het feest van Sinter-Greef (half vasten) [grevin, greve, miknem]. [N 88 (1982)]
III-3-3
|
| 32987 |
halm, stengel van de graanplant |
spier:
spīr (L245b Tienray)
|
De graanhalm is de meestal ronde en gelede stengel van de te velde staande graanplant. Hier het algemene woord, dat veelal ook de benaming voor de gehele graanplant is. Een aantal termen (bv. spier, spit, ...) wordt niet alleen gebruikt voor de stengel van de te velde staande graanplanten, maar ook -en blijkens een niet gering aantal aar-opgaven wellicht nog meer- voor de geoogste en gedorste graanstengels, de strohalm; zie de toelichting bij het volgende lemma ''strohalm'' (1.3.2). Veelal zijn ze ook toepasselijk op de grasspriet (zie het lemma ''grasspriet'' (1.5) in aflevering I.3), enkele zelfs op de graankorrel (zie het lemma ''graankorrel'' (2.6) in deze aflevering). Voor een aantal plaatsen werd het tweelettergrepige ''spieren'' als enkelvoud opgegeven. Zie afbeelding 2, a. [N P, 4b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; S 12; Wi 13; monogr.]
I-4
|
| 18236 |
halssnoer |
snoer van kralen:
snôêr van kralle (L245b Tienray)
|
aan een snoer geregen kralen, parels, enz. als halssieraad [toer, snoer, ketting, karkant, collier] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 33927 |
halster |
capuchon:
kapǝson (L245b Tienray),
halfster:
hɛlfstǝr (L245b Tienray),
hoofdsel:
hotsǝl (L245b Tienray)
|
Tuig aan de kop van een os of een stier. [N 3A, 14b; monogr.]
I-11
|
| 25225 |
halve maan, eerste kwartier |
eerste kwartier:
örste kwartier (L245b Tienray),
halve maan:
half maon (L245b Tienray),
wassende maan:
wassende maon (L245b Tienray)
|
schijngestalte van de maan: eerste kwartier, halve maan [wassende maan, wassenaar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25219 |
halve maan, laatste kwartier |
afgaande maan:
afgaonde maon (L245b Tienray),
laatste kwartier:
(tussen palataal kwartier en velaar in).
lèèste (L245b Tienray)
|
schijngestalte van de maan: laatste kwartier [afnemende, donkere maan] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25261 |
halve pint, kwart liter, maat |
schopje:
(voor een klein biere...??).
schöpke (L245b Tienray)
|
de maat die een inhoud aangeeft van 0,25 (=kwart) liter [kapper, halfje, schopje, dzozie, hoorn, neuker, neutel, bok, uppie, bak] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 23759 |
halve zondag |
halve zondag:
halve zóndag (L245b Tienray)
|
Een "halve zondag", een feestdag zonder mis, bijvoorbeeld Koninginnedag (planken zondag). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 20820 |
ham, hesp |
schink:
sxeͅŋk (L245b Tienray)
|
ham
III-2-3
|
| 21731 |
handboei |
handboei:
handboei (L245b Tienray)
|
de boei waarmee handen geboeid worden [paternoster, handboei] [N 90 (1982)]
III-3-1
|