| 24422 |
meelworm, larve van de meeltor |
meelworm:
mēͅlwøͅrm (Q162p Tongeren)
|
meeltor-larve, wormpje dat in (oude) meelvoorraden voorkomt [meelworm] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 25524 |
meelzeef |
meelzeef:
[meel]zięf (Q162p Tongeren),
meelzeef (Q162p Tongeren),
teems:
tems (Q162p Tongeren),
ti.ms (Q162p Tongeren),
zeef:
zięf (Q162p Tongeren)
|
Handwerktuig waarmee men de grovere bestanddelen uit het meel kan zeven. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømeelŋ- het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 38b; N 18, 136; JG 1c; JG 2c; l 48, 35II; Lu 2, 35II; Grof 256; monogr.; JG 1b add.]
II-3
|
| 34229 |
meer melk gaan geven |
aangaan:
ǫi̯ngoi̯n (Q162p Tongeren)
|
[N 3A, 68]
I-11
|
| 32781 |
meerdelige eg |
compound[eg]:
kǝmpūn[eg] (Q162p Tongeren)
|
Bedoeld wordt een combinatie van twee of meer eggen van dezelfde soort en grootte, die - naast elkaar liggend en meestal onderling verbonden, met haken of korte kettingen aan een gemeenschappelijke trekbalk bevestigd zijn; zie afb. 62. Zulk een combinatie werd gewoonlijk door twee paarden getrokken. In de betrokken termen hieronder vertegenwoordigt het lid drie ook varianten van het type ''drij''. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men het lemma ''eg''. [N 11, 67 + 76; N 11A, 162a + b; N J, 10 add.; div.; monogr.]
I-2
|
| 32635 |
meerscharige ploegen |
drieschulp:
drāi̯šø̜lǝp (Q162p Tongeren)
|
Met een meerscharige ploeg wordt een ploeg bedoeld die uitgerust is met twee, drie of meer scharen en waarmee evenzovele voren tegelijk omgeploegd worden. Over het algemeen - en uit een aantal benamingen blijkt dat ook - gebruikt men deze ploeg voor het oppervlakkig ploegwerk met name voor het omploegen van een stoppelveld. Van de onderstaande woordtypen die met drie- beginnen, vertegenwoordigt het eerste lid tevens dialectvarianten van het type drij. [N 11, 30; N 11A , 75 a-c ; N J, 10; JG 2b-4, 1; monogr.]
I-1
|
| 23583 |
meerstemmige mis |
meerstemmige mis:
n meerstùmmige mès (Q162p Tongeren)
|
Een meerstemmige mis, muziekmis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21273 |
meester |
meester:
hēͅ hylt vøl vḁn voier en moier, van pēr en mēr, van nonk en tānt, van meister en gebūr, van de šraainwerkər (Q162p Tongeren)
|
Hij houdt veel van Vader en Moeder, van Pa en Moe, van Oom en Tante, van Meester en Buurman, van den Timmerman [ZND 44 (1946)]
III-3-1
|
| 22496 |
meetje steken |
ketsen:
I, II.
kêtsë (Q162p Tongeren),
kramschieten:
Beschrijving s.v. Het ijzerspel bij J. Frère, L.V., I, pag. 160-162.
kramsjīētë (Q162p Tongeren),
streepje schieten:
I (J.B.W. in V.L. d.d. 09-07-39: wêe wét nòg wôo "streepte schiete"wôs? - P.M. streepke chiete).
strépkë-sjīētë (Q162p Tongeren)
|
(Spel), geldstukken of metalen schijven naar n doelstreep (n touw of ijzerdraad) werpen om het dichtst bij te komen. || 2. Spel waarbij met geld gegooid wordt naar een streep; wie het kortst bij de streep komt, krijgt de geldstukken. || Kinderspel.
III-3-2
|
| 22929 |
meetje steken add. |
knab:
E. Portugaels, Belang van Limburg, d.d. 12-09-85.
knab (Q162p Tongeren)
|
3. Koperen schijf van 100 gr. waarmee naar de meet wordt geworpen bij het kramschieten.
III-3-2
|
| 28868 |
meetlint |
lintmeter:
lentmētǝr (Q162p Tongeren)
|
Een oprolbaar ± 150 cm lang meetlint, vervaardigd van linnen en inwendig van koperdraad voorzien om het rekken of krimpen tegen te gaan (Gerritse, pag. 21). Zie afb. 2. [N 59, 2; N 62, 69]
II-7
|