| 23716 |
rozenkrans |
paternoster:
de paoternòster (Q162p Tongeren)
|
De rozenkrans, het bidsnoer [bid-vr-ons?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23722 |
rozenkransgebed |
rozenkrans:
de roozekrans (Q162p Tongeren)
|
Het Rozenkransgebed (hierbij gaat men 3 maal het bidsnoer langs) . [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23730 |
rozenkransmaand |
rozenkransmaand:
de roozekransmóind (Q162p Tongeren)
|
De Rozenkransmaand (d.w.z. oktober). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20846 |
rozijn |
rozijn:
ën Mïk mèt krénten òf rëzainë
rëzain (Q162p Tongeren)
|
rozijn
III-2-3
|
| 17767 |
rug |
rug:
reuk (Q162p Tongeren),
røk (Q162p Tongeren),
strang:
strā.ŋk (Q162p Tongeren)
|
de rug [ZND 29 (1938)] || Zie afbeelding 2.29. [JG 1a, 1b; N 8, 12]
I-9, III-1-1
|
| 32882 |
rug van het blad van de zeis |
rug:
rø̜x (Q162p Tongeren)
|
De opstaande stevige rand aan de buitenzijde van het blad van de zeis. Zie afbeelding 5, nummer 5. [N 18, 68e; JG 1a, 1b]
I-3
|
| 33198 |
rug, aangeaard stuk |
wal:
wal (Q162p Tongeren)
|
De verhoogde rug of wal die ontstaat bij het aanaarden van de aardappelen. Bij holvoor(de) heeft betekenisoverdracht plaatsgevonden; het is eigenlijk de open voor naast de rug. [N 12, 27; monogr.]
I-5
|
| 17640 |
ruggengraat |
ruggengraat:
røͅgəgruwoͅit (Q162p Tongeren),
rugstrang:
de rukstrank (Q162p Tongeren),
de røͅkstraŋk (Q162p Tongeren),
røͅkstrāŋk (Q162p Tongeren)
|
rug: ruggegraat [ruggestrang, ruggegraat] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17641 |
ruggenwervel |
wervel:
ne weͅrevel (Q162p Tongeren),
weͅr(ə)vəl (Q162p Tongeren)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 33989 |
rugnet |
net:
[net] (Q162p Tongeren)
|
Vliegennet dat over de rug van het paard wordt gehangen. Een groot aantal opgaven zijn benamingen voor het vliegennet in het algemeen. Zie voor de fonetische documentatie het lemma Vliegennet [JG 1a; N 13, 83c]
I-10
|