e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tongeren

Overzicht

Gevonden: 5750
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zwabber mopborstel: mubboͅsəl (Tongeren), moeppë = geheel van aanklevende pluisjes, stof en vuil op vloer of in hoeken van een vertrek  moepbòssël (Tongeren), trekker: Fr. raclette  trèkkër (Tongeren) borstel waarmee men de \"moeppë \"opneemt || borstel; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || schoonmaakgereedschap III-2-1
zwachtel vees: vés (Tongeren) Zwachtel: lange, smalle strook dun linnen of verbandgaas bijv. voor het verbinden van een wond (windel, zwachtel, vees). [N 107 (2001)] III-1-2
zwad, houw jaan: (h)u̯ǭi̯n (Tongeren) De hieronder opgenomen woorden zijn van toepassing op de hoeveelheid gras die de maaier met één slag van de zeis afmaait en die links van hem blijft liggen. Het Algemeen-Nederlandse woord zwad betekent zowel deze reep afgemaaid gras alsook de regel of rij gras die op het veld ontstaat als men een baan gemaaid heeft. Dit laatste begrip, de regel afgemaaid gras, komt in het volgende lemma ter sprake, onder de titel ''gezwad''. In sommige streken zijn de volksnamen voor beide onderscheiden begrippen aan elkaar gelijk. Deze gevallen zijn op kaart 9 aangegeven. Bij sommige woorden, zoals schaar, riem, zeissel, springt het betekeniselement "hoeveelheid, opbrengst" in het oog. Bij schob denkt men in de eerste plaats aan de graanoogst; daar betekent het doorgaans de hoeveelheid aren die men voor een halve schoof met één slag van de zicht of de zeis afmaait; hier is het waarschijnlijk overdrachtelijk gebruikt. Zie ook het lemma ''rij'', ''wiers''. Voor de volledigheid van dit kleine woordveld vergelijke men ook het lemma ''graanzwad'' in de aflevering over de Akkerbouw.' [N 14, 92; JG 1a; A 16, 1a; Lu 1, 16 add.] I-3
zwaden spreiden breken: brē̜.kǝ(n) (Tongeren) Het uiteengooien van de versgemaaide regels gras. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: gezwaden of gras. [N 14, 97a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.] I-3
zwager schoonbroer: sjünbrüur (Tongeren), zwager: zwuògër (Tongeren), zwòggër (Tongeren) schoonbroer || zwager III-2-2
zwak, ongezond zwak: zwôok (Tongeren) zwak, ziekelijk III-1-2
zwart pak fantasiepak: fantazīpak (Tongeren), smoking: smōkiŋ (Tongeren), smōͅkiŋ (Tongeren, ... ) pak, zwart ~, bestaande uit korte jas, vest en gestreepte broek [N 23 (1964)], [N 23 (1964)] III-1-3
zwartbonte koe herfse: hɛ̄rfsǝ (Tongeren), zwart geplekkerde: zwat ˲gǝplękǝrdǝ (Tongeren) Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 126] I-11
zwarte bes moelvers: naar Pâque  moelvers (Tongeren), zwarte miemeren: zwatte meu:mmere* (Tongeren) [DC 13 (1945)] I-7
zwarte bladluis bladluis: blōͅtlau̯s (Tongeren), bloedluis: blôodlaus (Tongeren), milver: moe’lvër (Tongeren) bladluis || bladluis (zoals bijv. de zwarte tuinbonenluis) [himmelzoad, meelow, melde, smeelje] [N 26 (1964)] III-4-2