e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L318b plaats=Tungelroy

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zavel, lichte klei suikerij: sŏkerei (Tungelroy), zavel: zavel (Tungelroy, ... ) zand met klei, beekbezinking [zavel] [N 81 (1980)] || zand met kwarts, gele, bruine of grijze aarde [zavel] [N 81 (1980)] III-4-4
zedelijk slecht meisje lel: lel (Tungelroy), slet: slet (Tungelroy) een zedelijk slecht meisje [wiender, loeder, loopster, kit, duivin, lellebel, sloerie, wats, flauwtoet] [N 86 (1981)] III-2-2
zedenpreek zedenpreek: zedepreek (Tungelroy) Een zedenpreek, vermanende zedenles, sermoen. [N 96B (1989)] III-3-3
zedig braaf: braaf (Tungelroy), precies: precies (Tungelroy), zedig: zedig (Tungelroy) Zedig. [N 96D (1989)] || zich strikt houdend binnen de grenzen van het zedelijk geoorloofde [stil, zedig] [N 85 (1981)] III-1-4, III-3-3
zedigheid zedigheid: zedigheid (Tungelroy) Zedigheid. [N 96D (1989)] III-3-3
zeef zeef: zeef (Tungelroy, ... ), zēf (Tungelroy) zeef in het algemeen [N 20 (zj)] || zeef waarmee meel wordt gezeefd tot bloem III-2-1
zeef in de wanmolen krienselzeef: krēnsǝlzēf (Tungelroy) De zeef, in de vorm van een rooster, waarop de nog met graanafval vermengde korrels in de wanmolen vallen. Naar gelang de grootte van de korrel onderscheidt men wel de tarwezeef, de haverzeef, enz. In dit lemma gaat het alleen om het tweede deel van dergelijke samenstellingen; alleen wanneer een dergelijke samenstelling opponeert met de benaming voor de zandzeef (zie het lemma ''zandzaaf, onderste zeef in de wanmolen'', 6.3.8) is deze hier opgenomen. [N 14, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.] I-4
zeef van de aardappelsorteermachine, algemeen zeef: zēf (Tungelroy) In dit lemma staan de algemene benamingen voor de zeef in de sorteermachine bijeen. Voor zover er (lexicaal onderscheiden) aparte benamingen zijn voor de specifieke zeven, zijn deze in de drie volgende lemmata verwerkt. Vaak is het meervoud opgegeven: de zeven van de sorteermachine. [N 12, 34d] I-5
zeekool eeuwig moes: īēwigmoos (Tungelroy), WLD  īēwig moos (Tungelroy), paddenbladeren: peddeblaajer (Tungelroy) De overblijvende plan met dikke knoestige wortelstok en talrijke uitlopers waaruit hier en daar stengels opstijgen; de bladen geven een zeer vroege, smakelijke groente waarmee men ze in het voorjaar tegen de invloed van het licht beschermt; zeekool (oudew [N 82 (1981)] || Hoe noemt u de volgende soorten kool (brassica oleracea L. - fam. cruciferae): een koolsoort die een overblijvende plant is en wel 20 jaar oud kan worden (zeekool) (crambe maritima). Deze heeft een knoestige wortelstok en talrijke uitlopers, waaruit hier [N 71 (1975)] || zeekool I-7
zeelt meun: leeft in de modder  meun (Tungelroy) zeelt (vis) III-4-2