e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tungelroy

Overzicht

Gevonden: 6382

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
achteruittrappen slaan: slǭn (Tungelroy) Met één of beide achterpoten achterwaarts trappen. [JG 1a; N 8, 70a en 72] I-9
achterwand achterschot: axtǝršot (Tungelroy) De afneembare achterplank van de kar of wagen. Deze plank werd tussen de twee zijwanden geschoven om de laadruimte af te sluiten en kon tijdens het lossen weggenomen worden. Voor de betekenisontwikkelingen van de verschillende woordtypes, zie de toelichting bij het lemma voorwand. Op de kaart zijn voor Belgisch Limburg alleen de gegevens uit de mondelinge enqu√™te opgenomen. [N 17, 30a + 36 + 48; N G, 61c; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; A 26, 1a; Lu 4, 1a; L 33, 4; L 40, 56; monogr.] I-13
achterwerk vot: vòt (Tungelroy) deel van het lichaam waar de bovenbenen tezamen komen [mik, fliermik] [N 10 (1961)] III-1-1
achterwerkers achterwerkers: axtǝrwęrǝkǝrs (Tungelroy  [(tweede soort)]  ), binnenwerkers: benǝwęrǝkǝrs (Tungelroy  [(tweede soort)]  ) Metselstenen voor de binnenste spouwmuur. Volgens de invuller uit L 210 werden de binnenmuren van een goedkopere en zachtere steen opgetrokken. Ze werden na het metselen met een troffel met specie bestreken en met een natte handveger glad gestreken. Het opmetselen van de binnenmuur werd in L 289 en L 289b 'binnenwerk' ('benǝwęrǝk') of 'achterwerk' ('axtǝrwęrǝk') genoemd. Zie voor het woordtype 'boerengrauw' ook het lemma 'Metselsteenkwaliteit' in wld ii.8, pag. 72. [N 31, 35g; monogr.] II-9
achterwiel van een fiets achterrad: achterraad (Tungelroy, ... ) het achterwiel van een fiets [riks] [N 90 (1982)] III-3-1
adamsappel adamsappel: aadamsappel (Tungelroy), keelsknop: kéélsknoup (Tungelroy) adamsappel [N 10 (1961)] III-1-1
adelaarsvaren adelaarsvaren: ook: bosvaren  adelaarsvaren (Tungelroy, ... ), bosvaren: ook: adelaarsvaren  bosvaren (Tungelroy, ... ), grote reinvaart: -  groete reinvaart (Tungelroy, ... ), reinvaart: reinvaart (Tungelroy) adelaarsvaren [DC 60a (1985)] || Adelaarsvaren, (pteridium aquilinum). Grote, forse varenplant met een dikke, zwarte, diep in de grond kruipende wortelstok, waarin van afstand tot afstand sterk samengestelde veren rijzen, die op gunstige groeiplaatsen wel meer dan 2 m hoog kunnen worden. [N 92 (1982)] III-4-3
adem adem: oâm (Tungelroy) adem III-1-1
ademen ademen: òòme (Tungelroy), ademhalen: aom hale (Tungelroy), òòm hale (Tungelroy) ademen [N 10a (1961)] III-1-1
ader ader: aor (Tungelroy, ... ), oar (Tungelroy) ader [N 10a (1961)] III-1-1