| 20344 |
half- of stiefzuster |
halfzuster:
hau̯f ˃zøͅstər (Q014p Urmond)
|
half- of stiefzuster [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 18713 |
halfhemd |
front:
front (Q014p Urmond),
frontje:
fróntje (Q014p Urmond)
|
halfhemd, kort overhemd of los linnen borststuk dat onder de halsopeningen van het vest wordt gedragen [frontj] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 32987 |
halm, stengel van de graanplant |
spier:
spēr (Q014p Urmond)
|
De graanhalm is de meestal ronde en gelede stengel van de te velde staande graanplant. Hier het algemene woord, dat veelal ook de benaming voor de gehele graanplant is. Een aantal termen (bv. spier, spit, ...) wordt niet alleen gebruikt voor de stengel van de te velde staande graanplanten, maar ook -en blijkens een niet gering aantal aar-opgaven wellicht nog meer- voor de geoogste en gedorste graanstengels, de strohalm; zie de toelichting bij het volgende lemma ''strohalm'' (1.3.2). Veelal zijn ze ook toepasselijk op de grasspriet (zie het lemma ''grasspriet'' (1.5) in aflevering I.3), enkele zelfs op de graankorrel (zie het lemma ''graankorrel'' (2.6) in deze aflevering). Voor een aantal plaatsen werd het tweelettergrepige ''spieren'' als enkelvoud opgegeven. Zie afbeelding 2, a. [N P, 4b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; S 12; Wi 13; monogr.]
I-4
|
| 17627 |
hals |
hals:
hĕls (Q014p Urmond),
Niet onderscheiden van nek.
hals (Q014p Urmond),
nek:
Niet onderscheiden van nek.
nak (Q014p Urmond)
|
hals [DC 01 (1931)] || halzen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 18255 |
halsketting |
ketting:
⁄n gouwe kètting (Q014p Urmond)
|
gouden [een - ketting] [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 18236 |
halssnoer |
collier (fr.):
koljee (Q014p Urmond)
|
aan een snoer geregen kralen, parels, enz. als halssieraad [toer, snoer, ketting, karkant, collier] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 33927 |
halster |
capuchon:
kapǝsun (Q014p Urmond),
stalhalter:
stalhāljtjǝr (Q014p Urmond)
|
Stel van leren riemen - eventueel touwen - of kettingen dat het paard om het hoofd heeft als het niet ingespannen is. Aan de halsterring wordt de lijn of ketting gehecht waarmee het paard in de stal of op de weide wordt vastgebonden of waarmee het wordt geleid. Op sommige plaatsen wordt de term halster ook gebruikt om het Hoofdstel of de Stalband aan te duiden. [JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2b, 2c; N 13, 18a; N 5 A II, 59e add.; monogr.] || Tuig aan de kop van een os of een stier. [N 3A, 14b; monogr.]
I-10, I-11
|
| 21541 |
halve frank |
half frankje:
ps. letterlijk overgenomen (dus niet omgespeld!).
e hāuf fraenske (Q014p Urmond, ...
Q014p Urmond)
|
oude zilveren munt van 50 centiem [N 21 (1963)] || wit metalen munt van 50 centiem [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21434 |
halve gulden |
halve gulden:
ps. letterlijk overgenomen (dus niet omgespeld!).
’ne hāuve gəljen (Q014p Urmond)
|
halve gulden, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25261 |
halve pint, kwart liter, maat |
kwart liter:
voor vloeistoffen.
kwaart lietər (Q014p Urmond)
|
de maat die een inhoud aangeeft van 0,25 (=kwart) liter [kapper, halfje, schopje, dzozie, hoorn, neuker, neutel, bok, uppie, bak] [N 91 (1982)]
III-4-4
|