| 34211 |
omweiden |
omscharen:
ømsxǭrǝ (L268p Velden),
verscharen:
vǝrsxǭrǝ (L268p Velden)
|
Het geregeld verplaatsen van vee. [N 3A, 11; monogr.]
I-11
|
| 25087 |
onbelangrijk |
niks waard:
niks we͂rd (L268p Velden),
weinig:
weinig (L268p Velden, ...
L268p Velden)
|
niet veel [luttel, min, schriel, weinig] [N 91 (1982)] || van geen belang, niet belangrijk [ongewicht] [N 91 (1982)] || weinig [DC 39 (1965)]
III-4-4
|
| 21441 |
onbetrouwbare koopman |
jood:
joed (L268p Velden)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: scheldwoorden of misprijzende woorden kent uw dialect voor een weinig koopkrachtig en onbetrouwbaar koopman [kremmer, toesser, ruilebuiter, voorsnijer?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25149 |
onbewolkt |
heldere lucht:
heldere loog (L268p Velden),
klaar:
klaor (L268p Velden),
klaar als de dag:
kloar às den dāāg (L268p Velden)
|
als [klaar ~ de dag] [SGV (1914)] || onverduisterd in licht, schijn of glans [helder, klaar, licht] [N 91 (1982)] || wolkenloos, zonder wolken, gezegd van de lucht [uitgekeerd, uitgeklaard, klaar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 34608 |
onderbak |
onderbak:
ondǝrbak (L268p Velden)
|
Onder de kar opgehangen laadvloertje. [N 17, 86]
I-13
|
| 32845 |
onderdelen van het zwenghout en de evenaar |
eghaamhaak:
ęxhāmhǭk (L268p Velden)
|
Voor de betrokken onderdelen zie men ook de afb. 98, 99 en 100. [N 11A, 103a + b + c; N 11A, 104a + b; div.; monogr.]
I-2
|
| 24637 |
ondereinde van de stam |
voet:
Veldens dialekt
voot (L268p Velden)
|
Het dikke uiteinde van de stam, onderaan (voet, kont, gat, kop). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 32731 |
ondergronden, woelen |
ondergronden:
ondǝrgrondǝ (L268p Velden)
|
Met een aparte ploeg of met een aan de gewone ploeg bevestigde schaar, klauw of haak de zool, harde laag of bank onder (in) de voor breken of openrakelen. [N 11, 46; N27, 13b]
I-1
|
| 32640 |
ondergronder, woeler |
wroeter:
vrø̄tǝr (L268p Velden)
|
De ondergronder of woeler was een aparte ploeg zonder kouter en riester, maar met een lansvormige schaar of twee in tegenovergestelde richting geplaatste messen vóór op het ploeghoofd. Vaak werd de oude aanaardploeg tot ondergronder omgebouwd. Met deze ploeg, die vóór de gewone ploeg uitging of erop volgde, werd de ondergrond, de bodem van de voor opengebroken. Men kon ook met de gewone ploeg de ondergrond losrakelen, door op de plaats van de voorschaar of het kouter, dan wel aan of onder de ploeghiel een woelschaar, een woelhaak of woelmes aan te brengen. Aldus werd tegelijkertijd de bovengrond geploegd en de ploegzool opengebroken. [N 11, 33j; N 11A, 76a + 76b + 77; N 27, 14]
I-1
|
| 33947 |
onderhaam |
onderhaam:
ōŋǝrhām (L268p Velden)
|
Twee met elkaar verbonden kussens die het paard onder het haam draagt, als dat te groot is. [N 13, 11; monogr.]
I-10
|