| 34172 |
goed liggen |
goed liggen:
goed liggen (L268p Velden),
goed zitten:
goed zitten (L268p Velden)
|
Het kalf ligt goed in de baarmoeder: de voorpoten zullen het eerst naar buiten komen. [N 3A, 51]
I-11
|
| 33919 |
goedaardige droes |
droes:
drus (L268p Velden)
|
Een infectieziekte in de keelstreek die vooral jonge paarden aantast. Tussen de besmetting en het uitbreken van de ziekte verloopt ongeveer èèn week. Dan treedt koorts op, gepaard met ontsteking van het neusslijmvlies, waarbij veel slijm wordt afgescheiden, dat na enkele dagen etterig wordt. Typisch voor deze ziekte is de klierzwelling tussen de beide takken van de onderkaak; snel wordt de gezwollen klier dan week, verettert en breekt door. Gewoonlijk verloopt de ziekte goedaardig. [A 48A, 28b; N 8, 89 en 90a; N 52, 15b, 24 en 25; monogr.]
I-9
|
| 34120 |
goede vleeskoe |
klaskoe:
klasku (L268p Velden),
kwaliteitkoe:
kwalitɛi̯tku (L268p Velden)
|
Breedgebouwde en goed in het vlees zittende koe. [N 3A, 141b]
I-11
|
| 33024 |
goede- opbrengst geven |
(goed) schieten:
sxitǝ(n) (L268p Velden),
(is goed) gekorend:
gǝkø̄rt (L268p Velden),
(is goed) verschaard/verschoren:
vǝrsxērt (L268p Velden),
vǝrsxɛ̄rt (L268p Velden)
|
Werkwoordelijke uitdrukking van het vorige lemma "de oogst levert goed op", "staat er goed voor". Zeer algemene uitdrukkingen als "(de oogst) staat goed" of "(de oogst) staat schoon" zijn hier niet opgenomen. Vergelijk ook het lemma ''groeien'' (1.1.4). [N 15, 12; monogr.; add. uit N 15, 10 en 11; L 5, 39; L 39, 39]
I-4
|
| 21326 |
goedkoop |
goedkoop:
goodkoup, gòjjekoup (L268p Velden)
|
goedkoop [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18954 |
goedzak |
goedzak:
gōōdzak (L268p Velden)
|
goedzak [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 24958 |
golf |
golf:
golf (L268p Velden)
|
golf, bolle verheffing op de waterspiegel, meestal veroorzaakt door de wind [baar, zwolp] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24959 |
golven ww. |
golven:
golven (L268p Velden)
|
golven (ww), rijzen en dalen van water [gurzelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24538 |
gom |
koekoekszever:
Veldens dialekt
koekoekzeiver (L268p Velden)
|
De kleverige, doorschijnende vloeistof die uit spleten of insnijdingen in sommige bomen vloeit en in de lucht hard word; deze stof is i.t.t. hars niet oplosbaar in alcohol of ether gom, plek). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 17903 |
gooien |
gooien:
goeëje (L268p Velden),
smijten:
smieten (L268p Velden)
|
werpen [SGV (1914)]
III-1-2
|