| 22504 |
grote knikker |
stuiter:
stuiter (L268p Velden)
|
Een grote knikker. [N R (1968)]
III-3-2
|
| 24165 |
grote lijster |
lijster:
liester (L268p Velden)
|
grote lijster
III-4-1
|
| 19502 |
grote schoonmaak |
grote schoonmaak:
de groete schoenmaak (L268p Velden),
schoonmaak:
de schoenmaak is achter de ruk (L268p Velden)
|
de schonmaak is achter de rug [DC 15 (1947)] || het schoonmaken van het gehele huis, dat in het voorjaar plaats heeft [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 25234 |
grote wolk |
grote wolk:
⁄n gro͂ete wolk (L268p Velden)
|
grote, op zichzelf staande wolk [bonk] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33226 |
grove zeef, voor consumptieaardappelen |
grove zift:
grǫf zeft (L268p Velden)
|
De meest grove of bovenste zeef; hierdoor worden de grootste aardappelen afgezonderd van de rest. Deze dienen voor de consumptie. Omschrijvende antwoorden als "grote zeef" zijn hier niet opgenomen. In Belgisch Limburg is zeef onzijdig en moet men voor grove zeef wel grof zeef lezen. [N 12, 34a]
I-5
|
| 24166 |
grutto |
gruut:
grut (L268p Velden),
gruutje:
grutje (L268p Velden),
widder:
onomatopee
widder (L268p Velden)
|
grutto || grutto (41 lange rechte bek en poten; wit in de vleugel; luidruchtig; algemeen in weiland; roep onder de pronkvlucht hoog in de lucht [grrieto, grrieto] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 18872 |
gruwelijk |
schrikkelijk:
schrikkelijk (L268p Velden)
|
gruwelijk [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 19082 |
guit |
snaak:
snāāk (L268p Velden)
|
guit [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 21331 |
gulden |
gulden:
gulde (L268p Velden, ...
L268p Velden),
hardkop:
hartkop (L268p Velden)
|
gulden [SGV (1914)] || gulden, een ~ [kent uw dialect ook namen als piek, pieterman of andere?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20495 |
gulzig |
gulzig:
gulzig (L268p Velden)
|
gulzig; Hoe noemt U: Snel en onmatig in het verorberen van voedsel of drank; schrokachtig (gulzig, gruizig, vratig, slokachtig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|