| 22359 |
hoepelen |
bandelen:
bandele (L210p Venray),
bendele (L210p Venray),
bândele (L210p Venray)
|
b) Met de hoepel spelen [hoepelen, banden, repen]. [N 88 (1982)] || hoepelen [SGV (1914)] || Hoepelen.
III-3-2
|
| 18017 |
hoest |
hoest:
hoest (L210p Venray)
|
hoest [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 18018 |
hoesten |
hoesten:
hoeste (L210p Venray)
|
hoesten [keche, kechelen] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 18307 |
hoge herenschoen |
bottine:
bettine (L210p Venray),
bəttinnə (L210p Venray)
|
herenschoenen, hoge ~ [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32445 |
hoge klomp |
huifklomp:
hūf[klomp] (L210p Venray),
kapklomp:
kap[klomp] (L210p Venray)
|
Klomp met een hoge en lange, tot boven de wreef doorlopende kap. De klompopening sluit bij dit type klompen goed om de voet zodat er geen klompenriem nodig is. Zie ook afb. 259. Het woord(deel) klomp is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛklompɛ. De kapklomp die in en rond Venray (L 210) bekend was, was een luxe hoge klomp die versierd was met koperen spijkers. Hij was volgens het Venrays woordenboek (pag. 227), ondanks de hoge kap toch van een leren band voorzien en werd op zondag gedragen.' [N 24, 70b; monogr.]
II-12
|
| 18350 |
hoge schoen met elastieken tussenstukken |
elastiekbottine:
ellestiekbettine (L210p Venray),
elləstiekbəttinnə (L210p Venray)
|
schoenen, hoge ~ met elastieken tussenstukken in de schacht [boddekeens] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21866 |
hogen |
ophogen:
ophūūge (L210p Venray),
vals hogen:
vals hūūge (L210p Venray)
|
de eerder geboden som verhogen op een veiling [hogen, een hoog zetten] [N 89 (1982)] || het bedrag waarmee men het bod verhoogt (door bijv. als verkoper mee te bieden) op een veiling [hoog] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22139 |
hoklijst |
hoklijst:
hokliest (L210p Venray)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: hoklijst, lijst waarop alle duiven moeten worden ingeschreven? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 29817 |
holle steen |
holle bouw:
hǫlǝ bǫw (L210p Venray)
|
Metselsteen die niet massief is. Holle stenen kunnen diverse vormen en afmetingen vertonen en worden onder meer gebruikt voor gewelven, zolderingen en lichte tussenmuren. Ze worden ook toegepast bij het opmetselen van rookkanalen en luchtkokers. Zie ook afb. 27. Het betreft daar een holle spie- of boogsteen. De woordtypen zwemsteen (L 289) en zwembrik (Q 12) verwijzen naar het feit dat holle stenen licht van gewicht kunnen zijn door het gebruik van poreuze grondstoffen als natuurbims, kunstbims of gegranuleerde hoogovenslakken; als bindmiddel wordt dan hydraulische kalk, cement of een mengsel van beide toegepast. [N 30, 54c]
II-8
|
| 31168 |
holpijp |
kuiltjestang:
kylǝkǝstaŋ (L210p Venray)
|
Werktuigje waarmee men gaten in het leer slaat. Het is een hol staafje in diverse maten dat met een hamer door een stuk leer gedreven wordt, zodat daarin een rond gat ontstaat. [N 36, 31; Li 1963, 49]
II-10
|