| 21001 |
knoflook |
knoflook:
mv idem
knofloewk (L210p Venray)
|
[DC 13 (1945)]
I-7
|
| 17664 |
knokkelkuiltjes |
kuiltjes:
kuulekes (L210p Venray)
|
deukjes, De ~ op de gewrichten tussen de hand en vinger. [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 33246 |
knollen uittrekken |
plukken:
pløkǝ (L210p Venray)
|
In oktober worden de bieten geoogst. Vroeger werden ze met een riek uitgestoken, later met een speciaal stuk gereedschap, zie het lemma Bietenrooier. Het bleef zwaar werk. Het object van het werkwoord is steeds "knollen" zoals in het lemma Knolvoer, Rapen (Coll.). Vergelijk ook het lemma Aardappels Rooien. [N Q, 11a; monogr.; add. uit Goossens 1963, kaart 17]
I-5
|
| 33236 |
knolraap, raap |
knollen:
knǫlǝ (L210p Venray)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|
| 33237 |
knolvoer, rapen (coll.) |
groen:
grȳn (L210p Venray),
herfstknollen:
hɛrfsknǫlǝ (L210p Venray)
|
Rapen in het algemeen, als groenvoer of als ingekuild voer voor het vee gebruikt; herfstknollen. [N 12A, 4a; JG 1b, 2c; monogr.; add. uit N 11A, 29f en 29g; N 12, 40, N Q, 11a]
I-5
|
| 18262 |
knoop |
knoop:
knooup (L210p Venray),
knuujp (L210p Venray),
knuǝp (L210p Venray),
knōwp (L210p Venray)
|
knoop [SGV (1914)] || knoopen (mv.) [SGV (1914)] || Plat, rond schijfje of min of meer bolvormig voorwerpje van been, hout, metaal enz., dat aan kleding of andere gebruiksvoorwerpen wordt genaaid, hetzij als een middel om ze te doen sluiten of met een deel van hetzelfde of met een ander stuk te verbinden. [N 59, 135; N 62, 65a; Gi 1.IV, 48; Wi 5; S 18; MW; monogr.]
II-7, III-1-3
|
| 24723 |
knop waaruit twijg groeit |
knop:
Veldeke 1979 nr 1
knop (L210p Venray),
oog:
WLD
ōēg (L210p Venray)
|
De knop waaruit scheuten of loten te voorschijn komen (loot, oog, knop). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 34337 |
knorren |
knaaien:
knǭi̯ǝ (L210p Venray),
knorren:
knǫrǝ (L210p Venray)
|
Het natuurlijke geluid van een varken. [N 19, 23; Wi 56; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 21825 |
knorren (wbd) |
grunselen:
grunzele (L210p Venray),
zoetjes knoeien:
WNT: knoeien, A.6) Knorren, grommen, morren, pruttelen.
zuutjes knaoie (L210p Venray)
|
zachtjes kreunen en knorren, gezegd van kleine kinderen die voldaan en tevreden zijn [grutten, kaaieren] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 19350 |
knorrepot |
grijnzer:
ene greezer (L210p Venray),
knaaierd:
knaojerd (L210p Venray),
knaaipot:
knaoipot (L210p Venray),
knorrepot:
knorrepot (L210p Venray),
mopperkont:
mopperkoont (L210p Venray),
warme, een -:
Zo wordt het ook wel genoemd.
êne werme (L210p Venray)
|
brombeer, kankeraar etc. || iemand die voortdurend ontstemd is en dat laat blijken [grijspot, gruis, grijsmanne-tje, knorrepot] [N 85 (1981)] || knorrepot [SGV (1914)] || mopperaar || spoedig boos of driftig wordend [krikkelig, nippig, kregel, kriel, oplopig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|