| 33411 |
kippenren |
hoenderren:
hōndǝrrɛn (Q208p Vijlen)
|
De met gaas omheinde buitenruimte, die aan het kippenhok grenst of er anderszins mee in verbinding staat en waarin de kippen overdag rondlopen. Het woord bout in Hoeselt (Q 77) is te beschouwen als een ontlening uit het Waalse bèr√¥dî, daar ontstaan uit * bèh√¥rdi, dat weer ontleend en afgeleid is uit Nl. behorden, "met een horde omheinen"; vgl. Haust, D L, s.v. bèr√¥dî. [N 19, 34; A 10, 9h; A 48, 16b; monogr.]
I-6
|
| 33410 |
kippenuitgang |
hoenderstallok:
hǫnǝštǝllǫu̯ǝk (Q208p Vijlen),
slag:
šlāx (Q208p Vijlen
[(sluitplank)]
)
|
De opening in de muur of in de deur van het kippenhok waardoor de kippen naar buiten en naar binnen kunnen gaan. In de gecombineerde woord- en klankkaart worden niet alleen de drie hoofdtermen, kot, gat en lok, in kaart gebracht, maar ook is ook aangegeven waar de klinkers van deze drie termen zich verlengen tot resp. koot, gaat en look. [N 5A, 63e; A 48, 17d]
I-6
|
| 34486 |
kippenveer |
veer:
vē̜rǝ (Q208p Vijlen),
vęǝrǝ (Q208p Vijlen)
|
[L 5, 49; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 22324 |
kiskassen |
litsen:
litsj-sje (Q208p Vijlen)
|
kiskassen (over t water) [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 19254 |
klaarkomen |
afmaken:
afgemakt (Q208p Vijlen)
|
gereedkomen met wat men te verrichten heeft [geraken, klaarkomen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24989 |
klam, klef |
klam:
klaam (Q208p Vijlen)
|
vochtig aanvoelend en enigszins plakkend, gezegd van zaken die van nature droog zijn maar waartegen zich vocht heeft vastgezet [klam, klammig, nes, klef, nesk, wak, week] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 23477 |
klank van een klok |
toon:
toon (Q208p Vijlen)
|
De stem (klank, toon) van een klok. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24185 |
klapekster |
ekster:
ester (Q208p Vijlen),
grote ekster:
growete ekster (Q208p Vijlen)
|
Hoe heet de klapekster? [DC 06 (1938)]
III-4-1
|
| 24858 |
klaproos |
klaproos:
klaprūǝs (Q208p Vijlen),
-
klaproewes (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen),
kollebloem:
kǫlǝblōm (Q208p Vijlen),
-
kollebloom (Q208p Vijlen)
|
klaproos [DC 13 (1945)], [DC 48 (1973)], [SGV (1914)] || Papaver rhoeas L. Een tot 60 cm hoge, behaarde plant. De uit vier losse kroonbladeren bestaande bloem is vuurrood en aan de voet vaak zwart gevlekt. De zaaddoos is kaal, bijna eivormig, met donkere stempels in een radvormig figuur. De klaproos komt voor in en bij korenvelden op zwaardere grondsoorten, langs wegen, dijken en op ruigten en bloeit van mei tot juli. Bij de benamingen treedt wel verwarring op met de veel grotere en hogere (60 tot 120 cm) slaapbol (Papaver somniferum L.), die tot hetzelfde geslacht behoort. Dit geldt vooral voor de typen met maan-, slaap-, heul- en olie-. Zie Pauwels 1933 en Brok 1991. [A 13, 13; L 1, a-m; L 1u, 125; L 15, 9; S 18; monogr.]
I-5, III-4-3
|
| 17957 |
klauteren |
kledderen:
kleddere (Q208p Vijlen)
|
klauteren [SGV (1914)]
III-1-2
|