| 20348 |
kleinzoon |
enkel (du.):
cf. VD D.-N. s.v. "Enkel"(kleinzoon, kleinkind)
eenkel (Q208p Vijlen),
kleinzoon:
gebruiken hiervoor meest Duitse of Hollandse woorden
klingzoon (Q208p Vijlen)
|
kleinzoon [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 23215 |
klepel |
klepel:
klê-pel (Q208p Vijlen)
|
klepel [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 23218 |
kleppen |
kleppen:
klippe (Q208p Vijlen)
|
Vóór de kerkdienst de kleinste klok luiden met korte slagen, anders gezegd: korte slagen geven met de kleinste klok [trumpe, kleppe, pimpe?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 21353 |
kletsen |
babbelen:
Van Dale: babbelen, 1. veel praten over dingen van weinig belang, uit lust tot praten; (schoolt.) met elkaar praten van leerlingen onder de les; -2. praatjes verkopen, kwaadspreken; -3. keuvelen, gezellig praten; -4. (gew.) uit de school klappen; -5. (in litt. t.) een geluid maken dat aan babbelen doet denken.
babbele (Q208p Vijlen),
kletsen:
Van Dale: kletsen, 1. (minacht.) praten of met elkaar spreken als iets hinderlijks of vervelends; -2. met of onder elkaar babbelen, beuzelpraatjes houden, hetzij ongunstig (wauwelen) of in neutrale bet., gemoedelijk praten; - in ongunstige zin spreken (over), ongegronde dingen zeggen, kwebbelen; [3.] overbrengen, oververtellen, klikken; 4. roddelen, kwaadspreken; -5. onzin verkopen, bazelen.
kletsje (Q208p Vijlen)
|
praten [SGV (1914)] || zwetsen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21405 |
kletsen [zeveren] |
zeveren:
zee-ve-re (Q208p Vijlen)
|
zeveren [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 21337 |
kletswijf |
klappei:
klap-pŏŏi (Q208p Vijlen)
|
klappei [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17893 |
klieven |
splijten:
schpliete (Q208p Vijlen)
|
klieven: Vaneen scheiden (klieven, kloven). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21469 |
klikspaan |
klatswijf:
klatswief (Q208p Vijlen),
verrader:
verrŏner (Q208p Vijlen)
|
heimelijk een overtreding of misdrijf aangeven [bij de overheid] [klikken, verklikken, paanderdragen, klikspanen] [N 90 (1982)] || klikspaan; Iemand die daar een gewoonte van maakt is een ...... [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 24581 |
klimop |
wintergroen:
WLD
wingter greun (Q208p Vijlen)
|
De altijdgroene heester die zich door middel van wortels aan de omringende voorwerpen hecht (klimop, veil, klim, ifte, eiloof, klimmerkruid, lier). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 31497 |
klinknagel |
klinknagel:
kleŋknāgǝl (Q208p Vijlen)
|
Rond metalen staafje waaraan een kop is geperst. Zie ook afb. 177. Klinknagels worden volgens de koperslager uit L 266 onder meer gebruikt om hengsels te bevestigen. Koperen klinknagels werden vroeger volgens de zegsman uit L 210 gedraaid uit koperen plaat en vervolgens door het klinknagelijzer (kleŋkngǝlīzǝr) geslagen waardoor er een kop op kwam. Zie ook het lemma "nagelijzer". [N 66, 48a-b; N 100, 18; monogr.]
II-11
|