| 20005 |
konijn |
konijn:
kanien (Q208p Vijlen),
(mv.)
knieng (Q208p Vijlen)
|
konijn [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 24322 |
konijnenhol |
hol:
häöle (mv) (Q208p Vijlen),
WLD
heul (Q208p Vijlen)
|
Hoe noemt u het in de grond uitgegraven verblijf van een konijn (kneut, pijp, potje) [N 83 (1981)] || hol
III-4-2
|
| 21266 |
koning |
koning:
kun-ning (Q208p Vijlen)
|
koning [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 22812 |
koning in het kaartspel |
koning:
kunning (Q208p Vijlen)
|
En hoe [noemt u van het kaarspel] de [verschillende] plaatjes? - II. Koning. [DC 52 (1977)]
III-3-2
|
| 28400 |
koningin |
koningin:
kø̄neŋen (Q208p Vijlen),
kø̜negen (Q208p Vijlen),
kø̜̄neŋen (Q208p Vijlen)
|
Het enige volmaakt vrouwelijke dier in een bijenkolonie. Geslachtelijk is de koningin gelijk aan de werkbij, maar in het larvestadium is de aanstaande koningin gevoed met hoogwaardige voedingsstoffen, de koninginnegelei, en de werkbij niet. In ieder volk is slechts één koningin aanwezig. Haar enige taak bestaat in het leggen van eieren. Zij kan bevruchte of onbevruchte eieren leggen. Uit de bevruchte eieren ontstaan werkbijen of eventueel koninginnen, uit de onbevruchte komen de darren. Een koningin kan een leeftijd van vier à vijf jaar bereiken. Is zij niet meer in staat eieren te leggen en daardoor nutteloos geworden voor de kolonie, dan wordt de oude koningin vervangen door een nieuwe. [N 63, 12d; S 3, L 1a-m; JG 1a + 1b; JG 2b-5, 12; R 3, 42; Ge 37, 37; A 9, 3; monogr.]
II-6
|
| 24663 |
koningskaars |
koningskaars:
kunningkets (Q208p Vijlen),
(bij afbeelding 73)
kunings kets (Q208p Vijlen)
|
Koningskaars (verbascum thapsus). Als hierboven. De bloemen staan in groepjes en zijn tot een aar verenigd. Op droge zonnige plaatsen, vooral in de duinen (koningskaars, wolverstaart, wolblaad, zokkebloem, paaskaars, hemelbrand, zachtlap). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 19416 |
kookkachel, fornuis |
fornuis:
foͅrnø̄s (Q208p Vijlen)
|
fornuis [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 24192 |
koolmees, mees |
bijenmeesje:
bie-je-mis-ke (Q208p Vijlen),
keesmees:
kiejusmiejus (Q208p Vijlen),
kiesmies (Q208p Vijlen)
|
Hoe heet de koolmees? [DC 06 (1938)] || mees [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 21016 |
koolraap |
konrabel:
WLD
konrabel (Q208p Vijlen),
overaardische konrabel:
WLD
ovveredische konrabel (Q208p Vijlen)
|
De koolsoort die aan de stronk vlak boven de grond ronde raapvormigeknollen heeft die eetbaar zijn (raapkool, koolrabie, koolraap, bagger, knolraap). [N 82 (1981)] || Koolraap; de dikke vlezige wortel (onder de grond) van de plant met dezelfde naam die als groente of als veevoer wordt gebruikt (koolraap, raapkool, knolraap). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 21400 |
koopwaar |
waar:
goow waar (Q208p Vijlen)
|
waar (goede ~) [SGV (1914)]
III-3-1
|